zaterdag 29 augustus 2015

108. Homodok, Homologie, Urania, Vrolijk & Schorer

Mijn voorzitterschap van Homostudies Utrecht leidde tot veel andere activiteiten. Van bij voorbeeld het Documentatiecentrum Homostudies, het tijdschrift Homologie, de stichting Homo RTV Urania, de homo/lesbische boekhandel Vrolijk, de stichting voor de leerstoelen Lesbische en Homostudies, de Schorerstichting tot het huidige IHLIA LGBT Heritage.

Na het eeuwenlange doodzwijgen van homoseksualiteit werd de homo/lesbische beweging zichtbaar en strijdbaar in de jaren zeventig, tachtig en negentig om een nooit meer uit te wissen indruk achter te laten. Homoseksualiteit werd van een ziekte tot een biologische variant. Niet homoseksualiteit was een probleem maar de maatschappelijke veroordeling ervan. Ik ben blij aan die ontwikkeling een steentje te hebben kunnen bijdragen.

Van Homodok tot IHLIA LGBT Heritage
Vanuit Homostudies Utrecht zat ik van 1978 tot 1992 in het bestuur van het "Homodok" ofwel het Dokumentatiecentrum Homostudies in Amsterdam. Dat ging later op in wat nu IHLIA LGBT Heritage heet en gevestigd is in de Openbare Bibliotheek Amsterdam OBA. Van 2002 tot 2009 zat ik in het bestuur van IHLIA. In die tijd hield ik mij vooral bezig met het door de overheid bekostigde "Rechtsherstel Homoseksuelen Tweede Wereldoorlog", met een tentoonstelling over de homovervolging in WOII en met het boek Het begint met nee zeggen. Biografieën rond verzet en homoseksualiteit 1940-1945 onder redactie van Klaus Müller en Judith Schuyf (Amsterdam 2006). In verband met dit rechtsherstel moeten ook genoemd worden de boeken Doodgeslagen, doodgezwegen. Vervolging van homoseksuelen door het nazi-regime 1933-1945 onder redactie van Klaus Müller (Amsterdam 2005) en Levenslang. Tiemon Hofman, vervolgd homoseksueel en avonturier geschreven door Judith Schuyf (Amsterdam 2003).

Homologie
Van 1978 tot 1992 was ik voorzitter de stichting die het tijdschrift Homologie uitgaf van 1978 tot 1997. In de eerste redactie zaten Bert Boelaars, Martien Sleutjes, Sacha Wijmer en Henk Wilschut die na een jaar werd opgevolgd door Chris Verboog (1952-1992).
Homologie was een onafhankelijk tijdschrift dat meestentijds tweemaandelijks verscheen. Het besteedde aandacht aan homostudies en homoseksualiteit in een tijd dat de meeste media daar niet over schreven of sensatiegericht negatief. Van groot belang was de rubriek Relevant over recente publicaties rond homoseksualiteit, een activiteit die is opgegaan in de hierboven genoemde Homodok en IHLIA.  Ook nu nog algemeen bekende schrijvers in Homologie waren Hans Goedkoop, Bas Heijne, Marianne Hoogma, Maaike Meijer en Xandra Schutte.

De grootste oplage was 3000. De eerste jaargang werd door de redactie zelf gedrukt, gevouwen en geniet. De drie jaren daarna kon men voor een vriendenprijs terecht bij drukkerij Bongers in Limburg. Toen het van krant in magazine veranderde, werd het op zakelijke basis gedrukt bij een andere drukkerij. Omdat de oplaag aan de lage kant bleef, was het blad op de lange termijn te duur om te kunnen voortbestaan. Uit de Lezersservice van Homologie is de nu nog bestaande boekhandel Vrolijk in Amsterdam voortgekomen. Van Homologie is helaas geen digitale versie beschikbaar: dat zou er wel moeten komen. In dit kader moeten ook nog de Homojaarboeken 1981, 1983 en 1985 genoemd worden, waarvan ik in de redactie zat.

Stichting Homo RTV Urania
De toenmalige homo/lesbische beweging ergerde zich mateloos aan de meeste media die meestal alleen maar aandacht besteedden aan homoseksualiteit als er iets negatiefs te berichten viel. Daarom werd de stichting Homo RTV Urania opgericht die van 1982 tot 1996 bestaan heeft. Ik was daarvan vice-voorzitter van 1982 tot 1992. Voorzitter was Petra Schedler. RTV Urania wilde nadrukkelijk geen eigen omroep oprichten maar wilde wel bevorderen dat de publieke omroep meer aandacht aan homoseksualiteit zou besteden. Het accent lag daarbij op radio omdat dat medium heel geschikt was om die homo's en lesbo's te bereiken die nog in de kast zaten. In die tijd werd televisie vooral bekeken in gezinsverband en tv-programma's over homoseksualiteit leidden voor homo's en lesbo's die nog in de kast zaten vaak tot pijnlijke situaties. Bovendien was radio in het pre-internet-tijdperk heel geschikt om actuele homo/lesbische activiteiten aan te kondigen.

Aanleiding om RTV Urania op te richten was het feit dat de VPRO stopte met het eerste homo/lesbische radioprogramma Ook zo met Reijer Breed en Diane de Coninck. Hoewel de stichting er formeel niet bij betrokken was, was het toch als lobbygroep succesvol om homo/lesbische zendtijd bij de publieke omroep te steunen. Het radioprogramma Homonos bestond van 1982 tot 1994 en werd opgevolgd door Het Roze Rijk, van 1994 tot 2003 als radioprogramma en van 2003 tot 2006 als website. Redacteuren met wie ik te maken had, waren Job Frieszo, Nelly Frijda, Jan NautaAletta Oosten, Jan Paul Helwig, Diane de Coninck, Bert Boelaars, Ali Karacabay, Peter van de Akker, Peter van der Vorst en Rémi van der Elzen. Wie meer wil weten over de geschiedenis van Homoseksualiteit en de media kan terecht bij de gelijknamige bundel onder redactie van Erwin Bakker en Judith Schuyf (Utrecht 1985) en bij Homoseksualiteit in beeld onder redactie van Petra Schedler e.a. (Utrecht 1989) waaraan ik ook bijgedragen heb.

Pikant detail is dat ik de eerste zinnen van mijn memoires in wording meer dan twintig jaar geleden bij Homonos als radio-column heb uitgesproken: "In mijn vroegste herinnering sta ik als driejarige kleuter op de zonnige groenomzoomde Groest (een hoofdstraat in Hilversum) en vraag ik aan mijn moeder: “Waarom kunnen jongens niet met jongens trouwen?” Haar antwoord weet ik niet meer, maar ik heb toen wel geleerd dat je daarover beter kunt zwijgen. Ergens diep van binnen ontstond een geheime plek waar dit soort gevoelens werden opgeslagen in de hoop op betere tijden waarin het onnoembare bespreekbaar zou kunnen worden." Zie: Jan Nauta, Uit de kast. De mooiste columns uit Homonos (Amsterdam 1994).

Stichting Boekhandel Vrolijk
De huidige gay and lesbian book+dvd store vrolijk begon in 1982 met het verzenden van boeken voor het tijdschrift Homologie. De goede verkoop van onder andere mijn boek Homoseksualiteit in Nederland (Amsterdam 1982) leverde voldoende geld op om in 1984 de Stichting Boekhandel Vrolijk op te richten waarvan ik van 1984 tot 2001 voorzitter was. Net zoals in andere wereldsteden waren homo/lesbische boekhandels belangrijke centra omdat in de algemene boekhandels homo/lesbische boeken nauwelijks te vinden waren. Veel homo's en lesbo's durfden in die tijd daar ook geen homo/lesbische boeken te kopen of te bestellen. Er was een enorme achterstand in de verspreiding van homo/lesbische boeken. Bovendien waren homo/lesbische bladen belangrijke bronnen van informatie over wat er gaande was. Dat trok ook veel buitenlandse bezoekers aan. Vrolijk was dan ook een groot succes.

De belangrijkste bedreiging voor Vrolijk was de hetze die in 1996 ontstond rond Marc Dutroux. Boekhandel Vrolijk werd in media als 2 Vandaag, Telegraaf en Panorama ervan beschuldigd een centrum van jongensverkrachters te zijn. Vrolijk verkocht een jaarlijkse homogids waarin alle homo-ontmoetingsplaatsen opgesomd werden. Het was in die tijd in veel homokringen gebruikelijk om elkaar 'boys' te noemen ook al was men inmiddels van middelbare leeftijd. Het woord 'boys' werd door onnozele of kwaadaardige journalisten echter uit die context gerukt waardoor het beeld ontstond dat Vrolijk het homoseksueel misbruik van jongens bevorderde. Zij riepen op dat de boekhandel daarom gesloten zou moeten worden. Een klassiek voorbeeld van het eerder besproken vooroordeel dat homo's jongensverkrachters zouden zijn.

Ik schreef daarover maart 1997 in mijn column in de Gaykrant: "Wat is er eigenlijk gebeurd? Een heteroman vermoordde meisjes en vervolgens werden homoseksuele mannen valselijk beschuldigd van kindermisbruik. Er zijn honderden heteroporno-zaken die met rust gelaten werden, maar de enige op seksuele zelfbeschikking gerichte homo/lesbische boekhandel werd aangevallen op het verkopen van een boek dat vrijwel overal te koop is, de Spartacus-gids," Mijn opvolgster in 2001 als voorzitter van Vrolijk, Karin Spaink, schreef daarover een uitstekend verhaal. De hetze liep stuk op het feit dat iedereen die Vrolijk kende, wist dat het nergens op sloeg. Maar het liet weer eens zien hoe ontvankelijk sommige media voor homovijandige hetzes zijn.

Stichting Leerstoelen Lesbische en Homostudies
Na mijn vertrek in 1992 bij Homostudies Utrecht werd duidelijk hoezeer homostudies afhankelijk was van de personen die zich daarvoor inzetten. Zo was Homostudies Utrecht binnen tien jaar na mijn vertrek verdwenen. Daarom vond ik het belangrijk dat er binnen universiteiten structureel aandacht aan werd besteed. Daartoe werd in 1998 met behulp van directeur Riek Stienstra van de hierna te bespreken Schorerstichting een stichting opgericht om bijzondere leerstoelen lesbische en homostudies in te richten. Dat is gelukt in Amsterdam, Maastricht en Leiden. De stichting probeert daarnaast wetenschappelijk onderzoek en onderwijs te bevorderen binnen en buiten de universiteiten. Vanaf de oprichting ben ik secretaris van de stichting.

Wie ziet hoeveel onzinnig, zogenaamd wetenschappelijk, onderzoek gedaan wordt rond homoseksualiteit die begrijpt hoe nodig homostudies nog altijd is. Voor een nadere onderbouwing verwijs ik naar bericht 72: Misleidend onderzoek ontstaan homoseksualiteit. Meer dan twintig jaar na mijn vertrek bij Homostudies Utrecht word ik nog altijd benaderd door studenten om hen te begeleiden bij hun scripties op dit gebied. Ik blijf beschikbaar zo lang ik dat kan, maar ik heb (gelukkig) ook niet het eeuwige leven...

Schorerstichting
In mijn proefschrift beschrijf ik het belang van de opening in 1968 van, wat toen genoemd werd, een 'consultatiebureau voor homofilie', de Schorer(stichting) (1967-2012). De eerder door mij genoemde Riek Stienstra (1942-2007) was daarvan directeur van 1974 tot 2002. Stichting en directeur hebben een grote rol gespeeld bij de mentaliteitsverandering in de homo/lesbische hulpverlening. Ook moet de hulpverlening ('buddyzorg') voor mensen met HIV/AIDS genoemd worden. Evenals de zorg voor homo's en lesbo's afkomstig uit homovijandige culturen. Ik noem ook nog de uitgeverij Schorer Boeken en de Schorer Monitor die de gezondheid van homomannen in kaart bracht.

Ik ben van 2003 tot 2007 lid geweest van de Raad van Toezicht van dit Nederlands instituut voor homoseksualiteit, gezondheid en welzijn Schorer. In die tijd deed de toenmalige minister van Volksgezondheid Hans Hoogervorst, een mislukte poging om de subsidiekraan dicht te draaien. Gelukkig waren we toen nog in staat om door politieke lobby dit onheil voor homo/lesbische gezondheidszorg te keren. Op 24 juni 2010 mocht ik de Riek Stienstra Lezing houden. Ik zag het persoonlijk als een eerbetoon aan een vrouw die hopelijk niet in de vergetelheid zal verdwijnen zoals zovelen uit de homo/lesbische emancipatiegeschiedenis!

zaterdag 22 augustus 2015

107. Homostudies Utrecht

In de rampenzomer van 1967 was ik mij hardhandig bewust geworden van het onrecht van de homovervolging. Dankzij de redacteur van Vrij Nederland Jan Rogier kwam ik op het spoor van de eeuwenlang doodgezwegen homogeschiedenis. Mijn boek Homoseksualiteit in Nederland. Studie van een emancipatiebeweging (Amsterdam 1982) was het gevolg van mijn zoektocht. Dat proefschrift kreeg in het voorjaar van 1982 zoveel aandacht dat nogal wat onderzoeksvragen gesteld werden. Dat droeg bij tot de oprichting van de universitaire Interfacultaire Werkgroep Homostudies Utrecht, waarvan ik van 1982 tot 1992 voorzitter was.

Homostudies Utrecht
Het toeval wilde dat de Roze Zaterdag van 26 juni 1982 in Amersfoort te maken kreeg met homovijandige rellen. Dat maakte duidelijk dat de overheid beleid moest gaan ontwikkelen om de positie van de homo/lesbische minderheid te verbeteren. Najaar 1982 kon ik mijn proefschrift aanbieden aan de net aangetreden CDA-minister van Welzijn Elco Brinkman die verantwoordelijk werd voor het op te stellen landelijk homobeleid. Daaruit vloeiden veel onderzoeksopdrachten voort die leidden tot rapporten die verschenen in de publicatiereeks die hieronder vermeld wordt.

Een tweede samenloop van omstandigheden was de AIDS-crisis die vanaf 1981 zichtbaar werd. Over mijn persoonlijke rol bij de AIDS-bestrijding schrijf ik later een blogbericht. Wat Homostudies Utrecht betreft, leidde ook dit tot veel onderzoek. En ook tot een poging om homoseksualiteit te schrappen als ziekte door de Wereldgezondheidsorganisatie WHO. Van 1983 tot 1993 was ik adviseur van de WHO inzake AIDS-preventie onder mannen die seks hebben met mannen. Dat leidde onder andere tot het boek Bisexuality and HIV/AIDS: A Global Perspective (Buffalo NY 1991) waarvan ik redacteur was.

HIV/AIDS-preventie onder mannen die seks hebben met mannen werd ernstig gehinderd door het feit dat homoseksualiteit op de ziektelijst van de WHO stond. Bovendien was het wetenschappelijk gezien onzin want homoseksualiteit is net zo min een ziekte zoals bij voorbeeld linkshandigheid, roodharigheid, muzikaliteit of intelligentie. Het is een gewoon een biologische variant. Niet homoseksualiteit is een probleem maar de maatschappelijke veroordeling ervan. Het onderzoekswerk van Homostudies Utrecht bracht dat in kaart, met de mogelijkheden om daar verandering in aan te brengen.

Met onder andere de bedoeling om de WHO te beïnvloeden werd van 10 tot 12 december 1987 in Krasnapolsky in Amsterdam het grote internationale wetenschappelijke congres "Homosexuality Beyond Disease" georganiseerd in samenwerking met COC en ILGA. Daar namen sleutelfiguren uit wetenschap en politiek aan deel. Mede dankzij de steun van staatssecretaris Dick Dees (1944-) en directeur-generaal Joop van Londen (1931-2015), beiden van Volksgezondheid, verliep de lobby richting de WHO voorspoedig. Op 19 mei 1990 werd homoseksualiteit geschrapt van de ziektelijst. Sindsdien wordt wereldwijd op 17 mei de International Day Against Homophobia, Transphobia & Biphobia IDAHOT gevierd.

Afscheid
In tien jaar tijd was veel opgebouwd. Begin 1992 werkten er 25 (deeltijds)medewerkers. De meesten werden betaald uit de zogenaamde 'derde geldstroom': onderzoekssubsidies van buiten de universiteit. Dat riep kennelijk bij sommigen jaloezie op en ik had rond 1990 een roddelcampagne achter de rug waardoor mijn motivatie om door te gaan met Homostudies Utrecht was teruggelopen.

Daar kwamen nog twee andere overwegingen bij. Omdat verreweg het meeste onderzoek in Nederland had plaats gevonden, waren er bijna geen nieuwe onderzoekopdrachten in eigen land te verwachten. Ik stelde voor om Europees te gaan maar daar voelde de staf weinig voor. In de tweede plaats was er een mogelijkheid om een nieuwe lerarenopleiding humanistisch vormingsonderwijs (HVO) op te zetten. Dat was voor mij een belangrijk sluitstuk van de humanistische emancipatie. Dus besloot ik begin 1992 af te treden. Er werd een mooi afscheidssymposium georganiseerd met een afscheidsbundel: nummer 20 in de onderstaande publicatiereeks. Daarin staat: "Zonder de inspanningen van Rob was er geen Homostudies geweest, zoals we dat nu op de Universiteit van Utrecht kennen. In de ruim tien jaar dat hij voorzitter van de Werkgroep was, heeft hij veel betekend voor nogal wat mensen die in Homostudies carrière hebben gemaakt."



PUBLICATIEREEKS HOMOSTUDIES UTRECHT
Brochurereeks tgv 350-jarig bestaan van de Rijksuniversiteit Utrecht:
1. Jan Bour, Ria Gresnigt, Rob Tielman. Homoseksualiteit en onderwijs. 1986
2. Joop Keegel, Rob Tielman. Homoseksueel ouderschap. 1986
3. Jaap Gerlof, Rob Tielman. Hebben homo's ouders? 1986
In eigen beheer verschenen:
1. Marianne Hoogma, Wet en Werkelijkheid. Literatuuronderzoek naar de voorwaarden waaronder een Wet Gelijke Behandeling optimaal kan functioneren. 1984
2. Cees Waaldijk, Rob Tielman. Grondrechtenafweging en de Wet Gelijke Behandeling. Een model en een toepassing. 1984
3. Marion Dobbeling, Pieter Koenders. Het topje van de ijsberg. Inventarisatie van tien jaar discriminatie op grond van homoseksualiteit en leefvorm. 1984
4. Edwin Bakker, Judith Schuyf (red.). Homoseksualiteit en de media. Verslag van een studiedag georganiseerd door Homo RTV Urania en Homostudies Utrecht. 1985
5. Ans van Ginhoven, Marianne Hoogma. Gelijk krijgen is de kunst. Een onderzoek naar het functioneren van commissies gelijke behandeling in verschillende landen. 1985
6. Jan Aandewiel, Theo van Soerland, Peter van Weert. Politie en homoseksualiteit. 1985
7. Karlein Schreurs. Het is maar hoe je bekijkt. Een onderzoek naar identiteit en subcultuur bij lesbische vrouwen uit Groep 7152. 1986
8. Klaas Soesbeek. Homomannen buiten het Homowereldje. 1986
9. Bert van Steenderen. Homo worden, Homo zijn. Een onderzoek naar de vormgeving van een homoseksuele identiteit bij jongens. 1987
10. Hans Warmerdam, Pieter Koenders. Cultuur en ontspanning. Het COC 1946-1966. 1988
11. Thijs Maasen. De pedagogische eros in het geding. Gustav Wyneken en de pedagogische vriendschap in de Freie Schulgemeinde Wickersdorf tussen 1906-1931. 1988
12. Rob Tielman, Evert van der Veen (red.). Second ILGA Pink Book. A Global View of Lesbian and Gay Liberation and Oppression. 1988
13. Theo Sandfort. Het belang van de ervaring. Over seksuele contacten in de vroege jeugdjaren en seksueel gedrag en beleven op latere leeftijd. 1988
14. Jeanette Geerlings, Marion van der Meer. Lesbisch moederschap, praktijk en theorie. 1989
15. Astrid Mattijssen, Martin Moerings (red.). Wet gelijke behandeling in perspektief. 1989
16. Agnes van Wijnen, Annemieke van Brandenburg, Rob Tielman. Homo's met een handicap bestaan niet. 1990
17. Michal Dallas. Onveilige seks bij homomannen. 1990
18. Karlein Schreurs. Vrouwen in lesbische relaties. Verbondenheid, autonomie en seksualiteit. 1990
19. Wouter Geurtsen, Annet Hofmeijer, Ton Zondervan. Homo of hetero, gezegend ben je! Remonstranten over huwelijk en andere relatievormen. 1991
20. Adrianne Dercksen, Marty van Kerkhof, Astrid Mattijssen, Theo Sandfort, Evert van der Veen (red.). Tolerantie onder NAP. 20 essays over homoseksualiteit voor Rob Tielman. 1992
21. Diana van Oort. (On)zichtbaar (seksueel) geweld tegen lesbische vrouwen en meisjes. 1993
22. Niels Teunis, John de Wit, Theo Sandfort. Voor een half uurtje lol ga ik geen risico lopen. Homoseksuele mannen en veilig vrijen. 1993
23. C.J. Hoekzema, Miriam van Hooren, Theo Sandfort. Vrijen met je sokken aan. Homoseksuele mannen en condoomgebruik. 1993
24. Klaas Soesbeek, Letty Bonfrere. Zouden ze bestaan?! Homoseksualiteit en ouder worden. 1993
25. Eline Stroes, Henny Bos, Theo Sandfort. Lesbische vrouwen en AIDS. Van solidariteit tot persoonlijke bezorgdheid. 1994
26. Carla Jonker, Theo Sandfort, Desirée Schyns. Lesbisch zijn in Nederland. Over vormgeving en bejegening in publieke situaties. 1994
27. Peter Dankmeijer. Vies niet, homo wel! Ervaringen van homo- en lesbische docenten. 1994
28. Ontbreekt in mijn archief: vermoedelijk niet verschenen.
29. Evert van der Veen, Adrianne Dercksen. Het steekt van tijd tot tijd de kop op. Homodiscriminatie in de jaren tachtig. 1994
30. Theo Sandfort, Ernest de Vroome. Homoseksuele mannen en 'gewone' SOA. 1996
31. Judith Schuyf. Oud Roze. De positie van lesbische en homoseksuele ouderen in Nederland. 1996
32. Vera Adriaanse e.a. Homo/lesbo worden. Aanbod van De Kringen en achtergronden van deelnemers. Zonder jaartal: 1996 ?
Boeken Homostudies Utrecht uitgegeven bij Uitgeverij Veen, Utrecht/Antwerpen:
1. Petra Schedler, Judith Schuyf, Klaas Soesbeek (red.). Homoseksualiteit in beeld. Radio, televisie, schrijvende pers, reclame. 1989
2. Lex van Naerssen. Labyrint zonder muren. Analyse van het seksueel verlangen. 1989
3. Marty van Kerkhof, Theo Sandfort, Rob Geensen. Als je het nou van hard werken kreeg! Tien jaar aids en homocultuur. 1991



Naschrift: in mijn blog plaats ik onder andere conceptteksten voor mijn memoires die eind augustus 2016 als boek zullen verschijnen. Mijn eigen blogteksten zal ik niet steeds als citaat aanhalen. Dat doe ik wel met het aanhalen van eigen teksten die elders zijn verschenen, met bronvermelding. 

zaterdag 15 augustus 2015

106. International Gay & Lesbian Movement

Maar weinig mensen weten van het bestaan van het International Committee for Sexual Equality ICSE (1951-1960). De belangrijkste man in deze organisatie was de Nederlander Henri Methorst (1909-2007).  Het ICSE werd grotendeels bekostigd door het COC waar het hoofdkantoor was gevestigd. In België, Denemarken, Duitsland, Engeland, Frankrijk, de Verenigde Staten, Zweden en Zwitserland waren lidorganisaties aangesloten. Er werden internationale congressen gehouden in Amsterdam (1951), Frankfurt (1952), Amsterdam (1953), Parijs (1955) en Brussel (1958). De overgang naar de moderne homo/lesbische beweging vanaf 1969 werd niet meer gehaald door afnemende belangstelling. Het leek wel of de generatiewisseling van de jaren zestig en zeventig gepaard ging met meer aandacht voor de eigen nationale problemen en minder voor de noodzaak om tot een wereldwijde samenwerking te komen.

Aan de dood ontsnapt
Toenmalig COC-voorzitter Benno Premsela had wel veel belangstelling voor het buitenland. Op een koude zondagmorgen reed ik februari 1972 door een doodstil Amsterdam over de Keizersgracht naar het huis van Benno Premsela. Hij had een afspraak met enkele voorlopers van de huidige Italiaanse homobeweging Arcigay. Benno sprak vloeiend Italiaans en ik was uitgenodigd om er (dankzij mijn kennis van Latijn en Frans) in het Nederlands een verslag van te maken. Ik reed netjes vijftig en ongeveer honderd meter voor de kruising met de Vijzelstraat sprong het licht op groen. Op de kruising (bij het huidige Stadsarchief waar zich het archief van Benno Premsela bevindt) werd mijn Volvo Amazon in volle snelheid gepakt door een tram die van rechts kwam. Mijn auto en ik werden over de brug tientallen meters meegesleurd voor we stil stonden. De trambestuurder verklaarde later tegen de politie dat hij "door laat oranje" was gereden.

Ik moet heel lang buiten bewustzijn zijn geweest. Want voor de botsing was de kruising uitgestorven en toen ik weer bij kwam stond het zwart van de mensen. Het eerste dat ik mij herinner was dat men riep "hij leeft nog!". Ik werd aangesproken door een Amsterdammer die mij vroeg of hij de autoradio mocht kopen. Toen wist ik het zeker: ik leef nog en ik ben in Amsterdam. Hoe de rest van het verhaal afloopt, kan men lezen in blogbericht 50. Aan de dood ontsnapt... Daar staat ook beschreven hoe mijn belangstelling voor de humanistische beweging gewekt werd waardoor de internationale homo/lesbische beweging lange tijd uit mijn zicht verdween.

ILGA
Pas in 1978 kwam het tot een herstart van de internationale homo/lesbische beweging in het Engelse Coventry met wat nu heet de International Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex Association  ILGA. Op de website ilga.org kan men zien dat er nu meer dan duizend lidorganisaties zijn in 110 landen. Het hoofdkantoor is gevestigd in het Zwitserse Genève, waar de mensenrechtenraad van de Verenigde Naties zich bevindt. En er zijn regionale organisaties zoals ILGA Europe in Brussel.

Toen ik in 1986 co-president werd van de International Humanist and Ethical Union ging ik mij voor de ILGA interesseren om te zien of ik van dienst kon zijn. Ik bezocht de congressen van ILGA in Kopenhagen (1986), Keulen (1987), Oslo (1988), Wenen (1989) en Stockholm (1990). Het verschil met de IHEU-congressen was zeer groot. De ILGA-congressen waren veel emotioneler en chaotischer. Dat was ook begrijpelijk omdat de meeste congresdeelnemers te maken hadden met grote persoonlijke problemen. Deels door de homovervolging in veel landen en daar kwam de AIDS-crisis nog overheen. ILGA wilde net als de IHEU waarnemer worden bij de Verenigde Naties. Dat was niet eenvoudig door de grote weerstanden tegen homoseksualiteit in de meeste lidstaten van de VN. Tegenstanders gooiden vaak homo- en pedoseksualiteit op één grote hoop. Enkele organisaties van pedoseksuelen waren lid van de ILGA. Vooral die uit Duitsland en de Verenigde Staten roerden zich zeer op ILGA-congressen, hetgeen tot heftige conflicten leidde.

Ik had daar om drie redenen moeite mee. Als humanist was en ben ik van mening dat het zelfbeschikkingsrecht van kinderen beschermd moet worden tegenover volwassenen die zich aan kinderen opdringen. Daarom heb ik ook meegewerkt aan het tot stand komen van de Stockholm-verklaring van 1990 waarin het volgende gesteld werd: "Every child has the right to protection from sexual exploitation and abuse, including prostitution and involvement in pornography". Mijn tweede bezwaar was dat pedoseksualiteit getalsmatig veel meer bij heteroseksuelen voorkomt en dus niet de indruk moet worden gewekt dat het alleen een homo-aangelegenheid is. En mijn derde bezwaar was dat ILGA het strategisch belangrijke waarnemerschap bij internationale organisaties wel kon vergeten als pedo-organisaties er lid van konden blijven. Aan die lidmaatschappen is een einde gekomen. Mede dankzij ILGA is inmiddels een mentaliteitsverandering bij een meerderheid in de VN tot stand gebracht ten gunste van een erkenning dat homorechten ook mensenrechten zijn. 

Pink Book 
Als een belangrijke bijdrage aan de internationale homo/lesbische beweging zie ik het tot stand komen van het tweede en derde Pink Book. In 1988 verscheen het Second ILGA Pink Book, uitgegeven door Homostudies Utrecht. En in 1993 werd The Third Pink Book: A Global View of Lesbian and Gay Liberation and Oppression uitgegeven door uitgeverij Prometheus Books, toen nog gevestigd in Buffalo (New York). Voor het eerst werd in boekvorm voor elk land in kaart gebracht hoe de maatschappelijke en juridische positie van de homo/lesbische minderheid was. Daarbij kon ik gebruik maken van de Nederlandse ambassades wereldwijd en van sommige buitenlandse ambassades in Nederland en België. Opvallend was de brief van 13 april 1987 van de ambassade van Congo in Brussel dat "the practice of homosexuality does not exist in Congo". Inmiddels weten we wel beter.

Sindsdien is er geen homo/lesbisch Pink Book meer uitgegeven. Dat is ook wel begrijpelijk gezien de snelle vooruitgang die wereldwijd bereikt is. Neem alleen al het voorbeeld van de huwelijksgelijkberechtiging. Internet biedt nu een veel actueler beeld dan boeken ooit kunnen bieden. Toch hebben deze boeken een belangrijke rol gespeeld. In de eerste plaats omdat het een historisch ijkpunt heeft vastgesteld. Daardoor kunnen wij nu zwart op wit zien hoe snel vooruitgang is geboekt. In de tweede plaats hebben veel advocaten van deze boeken gebruik gemaakt om homo/lesbische vluchtelingen bij te staan die hun homovijandig land zijn ontvlucht en elders om asiel hebben gevraagd. In een volgend blogbericht zal ik ingaan op de rol die ik heb gespeeld bij het schrappen van homoseksualiteit van de lijst met ziekten door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).




Naschrift: in mijn blog plaats ik onder andere conceptteksten voor mijn memoires die eind augustus 2016 als boek zullen verschijnen. Mijn eigen blogteksten zal ik niet steeds als citaat aanhalen. Dat doe ik wel met het aanhalen van eigen teksten die elders zijn verschenen, met bronvermelding. 

zaterdag 8 augustus 2015

105. Homo/lesbische politiek

Op 28 juni 1969 begonnen in New York de Stonewall-rellen. Voor het eerst in de Verenigde Staten verzetten homo/lesbische Amerikanen zich tegen het homovijandig optreden van de politie die razzia's hield in homo/lesbische bars. Het leidde tot grote demonstraties met vele duizenden deelnemers. Vrij algemeen worden deze demonstraties gezien als het begin van de moderne homo/lesbische beweging. Wereldwijd vinden steeds meer Gay Pride Parades plaats naar het voorbeeld van New York. Toch vond de eerste homo/lesbische demonstratie in Nederland eerder plaats: op 21 januari 1969 op het Binnenhof in Den Haag.

Eerste homo/lesbische demonstratie
In mijn boek Homoseksualiteit in Nederland, studie van een emancipatieweging  beschrijf ik de achtergronden. Diezelfde dag bespreekt de Tweede Kamer de mogelijke afschaffing van het discriminerende artikel 248-bis waarover ik hiervoor schreef.

Belangrijke bezwaren van de demonstranten zijn blijkens een persconferentie: artikel 248-bis is "discriminerend", "een bron van mogelijke chantage", een belemmering voor "een geëigende pedagogische en seksueel-vormende opvang", en een aantasting "van de intieme persoonlijke levenssfeer die juist minderjarigen zo nodig hebben om te komen tot zelfkennis, zelfaanvaarding en volwassenwording". Hier staat dus het belang van de homo/lesbische jongeren centraal.

Bij een vergelijking tussen de Amerikaanse en de Nederlandse demonstraties valt een aantal dingen op. De rellen in New York waren rond een bar, chaotisch, soms gewelddadig en met een opvallende rol voor travestieten. De vredige demonstratie in Den Haag was goed georganiseerd, sloot aan op een lange lobby onder politieke partijen, vond plaats op een politiek strategisch moment, was inhoudelijk goed onderbouwd met een nadruk op de schadelijke werking voor homo/lesbische jongeren die de demonstratie hielden. Kortom: een voorbeeld van het poldermodel gekenmerkt door zelforganisatie en het zoeken naar bondgenoten en sleutelfiguren. Het is dus geen wonder dat in 1971 artikel 248-bis werd afgeschaft en dat Nederland wereldwijd voorop liep bij het bereiken van homo/lesbische gelijkberechtiging. Ik ben blij dat ik als toenmalig voorzitter van de Utrechtse Studenten Werkgroep Homoseksualiteit heb kunnen bijdragen aan deze historische gebeurtenis.

Marcel van Dam
Mijn tweede ervaring met homo/lesbische politiek was een aanvaring die ik in 1974 had met Marcel van Dam (1938-) als staatssecretaris van Volkshuisvesting in het kabinet-Den Uyl (1973-1977). Ik zat namens het COC bij een breed overleg met belangengroepen die wilden dat er meer woningen kwamen voor alleenstaanden. Hij begon met zich af te vragen wat ik bij dat overleg deed. Ik legde uit dat juist homo's en lesbo's een groot belang hadden bij woningen voor alleenstaanden omdat zij in die tijd nog vaak gedwongen werden te blijven wonen bij hun vaak homovijandige ouders. Waarop zijn antwoord was dat homo's toch gelijk behandeld wilden worden en dan was het volgens hem daarmee in strijd dat zij zich afzonderden in een eigen organisatie. Ik noemde de vrouwenbeweging die bewees dat zelforganisatie voor achtergestelden een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde voor gelijkberechtiging was en is. Hij was niet overtuigd en bleef vinden dat het COC zich op moest heffen. En dat in 1974 toen er nog vrijwel geen gelijke behandeling bestond!

Artikel 1 van de Grondwet
Als voorzitter van het Humanistisch Verbond was ik betrokken bij de herziening van de Grondwet van 1983. Dat ging voor het HV toen vooral over de gelijke behandeling van godsdienst en levensovertuiging in artikel 1. Daarover schrijf ik elders meer in mijn memoires. Omdat ik toch aan het lobbyen was, nam ik meteen de gelijke behandeling van homoseksuelen mee.

Ik schrijf daarover in de Humanistische Canon: "Tenslotte is het einde van Artikel 1 belangrijk: de werking beperkt zich niet tot de genoemde kenmerken maar geldt voor welke grond dan ook. Deze zinsnede is opgenomen omdat niet-confessionele partijen ook homo- en heteroseksualiteit wilden noemen en christelijke partijen dat weigerden. Het gevaar ontstond dat de weglating van deze vorm van discriminatie uitstraalt dat homodiscriminatie meer geoorloofd zou zijn. Door de gekozen toevoeging is voorkomen dat het discriminatieverbod ongewild bepaalde vormen van discriminatie zou gaan bevorderen. Nu valt bijvoorbeeld ook leeftijdsdiscriminatie en discriminatie van mensen met een beperking onder de werking van Artikel 1. Ondanks de toevoeging 'op welke grond dan ook', pleit het Humanistisch Verbond actief voor het benoemen van homoseksualiteit." Terecht streeft het COC daar ook naar.

Wet Gelijke Behandeling
Ook bij het tot stand komen van de Algemene wet gelijke behandeling van 1994 was ik betrokken, eerst als algemeen secretaris van het COC van 1971 tot 1975 en later als algemeen voorzitter van het HV van 1977 tot 1987. Een klein deel van de vrouwenbeweging vond de koppeling van vrouwen- aan homo/lesbische discriminatie nadelig omdat daardoor de invoering van de wet vertraagd werd. Ik herinner mij nog een discussie waarin ik door sommige vrouwen verweten werd "over de ruggen van vrouwen homorechten binnen te halen". De invloed van lesbische en solidaire heterovrouwen in de vrouwenbeweging was gelukkig groot genoeg om te voorkomen dat vrouwen- en homobeweging tegen elkaar werden uitgespeeld. Vooral bij kerken en christelijke partijen wilde men homo's en lesbo's kunnen blijven discrimineren op godsdienstige gronden.

Juridisch gezien is veel homo/lesbische discriminatie een vorm van discriminatie op grond van geslacht. Men staat aan een vrouw wel toe om een relatie met een man te hebben of te willen, maar met een vrouw niet. Ook sociaalhistorisch gezien, hangen vrouwen- en homo/lesbische emancipatie nauw samen. Dat geldt ook voor het godsdienstig verzet tegen gelijke behandeling. Daarom hebben het grootste deel van de vrouwenbeweging, de hele homo/lesbische beweging en de humanistische beweging decennialang nauw samengewerkt om tot een algemene wet gelijke behandeling te komen. Ik ben blij daaraan mijn steentje te hebben kunnen bijdragen vanuit zowel de homo- als de humanistische beweging.

Openstelling huwelijk
Dezelfde overwegingen speelden een rol bij het streven naar de openstelling van het huwelijk. Hier is de zelfde redenering van toepassing. Als je alleen een partner van het andere geslacht mag trouwen en niet van hetzelfde geslacht, dan is dat een vorm van discriminatie op grond van geslacht. Het feit dat het COC helaas lange tijd tegen de openstelling van het huwelijk was, heeft mij er niet van weerhouden om juist vanuit mijn rol in de humanistische beweging er vóór te zijn.

Allereerst was het noodzakelijk om een Nederlandse regering tot stand te brengen zonder de toen homovijandige christelijke partijen. Als voorzitter van het Humanistisch Verbond heb ik mij daar langdurig voor ingezet. De vijandschap tussen de twee grootste seculiere partijen, de PvdA en de VVD, was jarenlang te groot. In 1994 kwam eindelijk het eerste seculiere kabinet Paars I van PvdA, VVD en D66 tot stand. Ook toen moesten nog de nodige juridische en politieke hobbels opgeruimd worden.

Tijdens de kabinetsformatie van Paars II begin zomer 1998 was het eindelijk zover. Met dank aan D66 onderhandelaar Boris Dittrich werd er overeenstemming bereikt over de openstelling van het huwelijk voor paren van gelijk geslacht. Dit lekte uit op een vroege zomeravond en het NOS Journaal wilde daar om tien uur aandacht aan besteden. Zij belden na negenen op naar Henk Krol in Eindhoven om zo snel als mogelijk naar Hilversum te komen maar daar was de tijd te kort voor. Hij stelde de NOS voor om mij te benaderen in de terechte veronderstelling dat ik dichter bij Hilversum zou zijn.

Het is bijna niet meer voor te stellen maar dit speelde zich af in de tijd dat nog niet iedereen over een mobieltje beschikte. Mijn vriend Herman was gelukkig thuis in Vianen en hij wist dat ik met het bestuur van het humanistisch vormingsonderwijs vergaderde in een hotel in Utrecht. De receptionist van het hotel had mij daar binnen zien komen en toen de NOS belde kon hij mij meteen naar de telefoon halen. Ik stapte onmiddellijk in mijn auto en was net op tijd in de studio in Hilversum.

Er was geen tijd voor vooroverleg en ik werd overvallen door de kritische vraag waarom het homo/lesbisch ouderschap nog niet geregeld was. In minder dan een seconde overwoog ik dat het een strategische blunder zou zijn om deze stap vooruit nu te ondergraven door kritiek te geven op het bereikte resultaat. Uit onderzoek was al gebleken dat Nederland in meerderheid voor gelijkberechtiging van volwassen paren was maar verdeeld was over homo/lesbisch ouderschap. Daarom zei ik dat ouderschapswetgeving iets anders was dan huwelijkswetgeving en dat ik heel blij was dat dit mensenrecht om te kunnen trouwen nu werkelijkheid zou worden.

Landelijke Werkgroep Politiek
Vanaf het begin ben ik lid geweest van de Landelijke Werkgroep Politiek van het COC. Anders dan Marcel van Dam dacht in 1974 is er nog altijd veel te doen om in Nederland gelijke behandeling tot stand te brengen. En dat geldt nog veel meer voor de wereldwijde bestrijding van homovervolging. Daarover meer in mijn volgende blogbericht over mijn rol in de internationale homo/lesbische beweging.



Naschrift: in mijn blog plaats ik onder andere conceptteksten voor mijn memoires die augustus 2016 als boek zullen verschijnen. Mijn eigen blogteksten zal ik niet steeds als citaat aanhalen. Dat doe ik wel met het aanhalen van mijn eigen teksten die elders zijn verschenen, met bronvermelding.

zaterdag 1 augustus 2015

104. Mijn rol in het COC

In dit blogbericht beschrijf ik mijn eigen rol in de homo/lesbische emancipatiebeweging COC. Eerder heb ik geschreven over de wereldwijde homovervolging. Het meest gelezen blogbericht hierover is nummer 29 over het homovijandige Rusland. Dat blogbericht wordt in aantallen lezers gevolgd door nummer 19 over de nog altijd noodlottige Britse invloed op de wereldwijde homovervolging. Daarna volgen in aantallen lezers de blogberichten 64 over de vraag waar de homohaters nu zitten, 4 over levensgevaarlijke preutsheid en 72 over veel misleidend onderzoek naar het ontstaan van homoseksualiteit.  

Voorgeschiedenis
Tijdens mijn jeugd kwam ik het woord "homovervolging" niet tegen. Homo's waren volgens vrijwel iedereen in de jaren vijftig "verwijfd" en dat was ik niet dus daar had ik niets mee van doen. Dat vooroordeel bleef zelfs overeind toen ik van 1965 tot 1967 een relatie had met mijn eerste vriendje, die anderhalf jaar jonger was dan ik. Pas toen zijn moeder, mijn hospita, ons in de rampenzomer van 1967 samen bloot slapend in één bed aantrof, drong het tot mij door wat homovervolging betekende.

Als ik een paar maanden ouder zou zijn geweest dan was ik als meerderjarige voor de duur van ons leeftijdsverschil strafbaar geweest vanwege het discriminerende "chantage-artikel" 248-bis van het Wetboek van Strafrecht. Met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar en een strafblad op grond van een zogeheten "zedenmisdrijf" had ik mijn verdere loopbaan wel kunnen vergeten. Ik weet niet meer wat mij toen het meeste woedend maakte: mijn verbroken eerste liefde, het onrecht om van wederzijdse liefde een misdrijf te maken of het stelselmatig doodzwijgen en vervolgen van een minderheid. Elk nadeel heeft gelukkig zijn voordeel. Het heeft mij mijn leven lang voldoende daadkracht opgeleverd om op te komen voor het mensenrecht op zelfbeschikking.

Mijn homovijandige vader wilde mijn studie niet meer betalen maar streek ondertussen wel de kinderbijslag en -aftrek op. Dankzij bemiddeling van de studentendecaan mevrouw Van Herten-Romme kon ik studentassistent worden bij de universiteit van Utrecht. Mijn baas Rob Gras bleek (toevallig?!) actief in de homo/lesbische beweging en binnen de kortste keren leerde ik de toenmalige COC-voorzitter Benno Premsela kennen. Mede dankzij de toen net opkomende studentenwerkgroepen homoseksualiteit en de actiegroep Nieuw Lila bracht ik het snel van 1971 tot 1975 tot algemeen secretaris van het COC.

Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit COC
De geschiedenis van het COC heb ik beschreven in mijn proefschrift Homoseksualiteit in Nederland. Studie van een emancipatiebeweging (Amsterdam 1982). Het tijdvak 1971-1975 is een keerpunt in de Nederlandse homo/lesbische beweging. In 1971 wordt na zestig jaar strijd artikel 248-bis afgeschaft. In datzelfde jaar wijzigt het COC zijn naamgeving van de Nederlandse Vereniging van Homofielen in de Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit. Die naamsverandering staat voor een koerswijziging. Geen schuilkelder meer maar maatschappijverandering door het streven naar gelijkberechtiging.

Omdat het COC in die tijd geen directeur had, werd de algemeen secretaris als vrijwilliger een soort onbetaald directeur. De meeste tijd ging zitten in het draaiende houden van het hoofdkantoor en de contacten met de achterban, de politiek en de media. In die tijd was bijna alle aandacht in de media negatief en de kunst was om dat in positieve publiciteit om te zetten. Mijn humanistische contacten in de media en de politiek kwamen goed van pas.

Belangrijk voor de geschiedschrijving was mijn rol bij het veilig stellen van het COC-archief en de redding van de unieke boekencollectie van een van de oprichters van het COC, Jaap van Leeuwen (1892-1978). Zie meer hierover in blogbericht 50: Aan de dood ontsnapt... 

Dankzij het kabinet Den Uyl (1973-1977) werd in 1973 een aantal belangrijke stappen vooruit gezet. Het COC kreeg voor het eerst subsidie, er kwam een eerste erkenning door de overheid van homorelaties en dienstplichtige homomannen werden niet meer vanzelf voor de militaire dienstplicht afgekeurd. Dat was het "gekkenbriefje" ofwel S5, dat grote problemen opleverde bij latere sollicitaties omdat homo's toen nog door werkgevers gediscrimineerd mochten worden.

Koninklijke goedkeuring
Na 27 jaar sociale, politieke en juridische strijd werd het COC eindelijk rechtspersoon, de zogenoemde koninklijke goedkeuring, dankzij D66-er Jan Glastra van Loon (1920-2001) die van 1973 tot 1975 staatssecretaris voor Justitie was. Hij volgde mij van 1987 tot 1994 op als voorzitter van het Humanistisch Verbond. Tot 1973 waren bestuursleden van het COC hoofdelijk aansprakelijk, wat een ernstige belemmering was voor de homo/lesbische beweging. En dat allemaal omdat het COC volgens de christelijke partijen een "gevaar voor de rechtsorde" was.

Maart 1972 leerden mijn partner Herman Beks en ik elkaar kennen. Heel snel gingen wij samenwonen in mijn huurflat in de Utrechtse wijk Overvecht. Dankzij vrienden van Benno Premsela hoorden wij dat er een verwaarloosd rijksmonument uit 1600 in Vianen te koop stond. Najaar 1973 liep Herman door een straatje van middeleeuws Vianen op weg om het pand te gaan bekijken toen hij mij plotseling door een raam op de televisie zag. Wat was er gebeurd?

Die middag was bekend geworden dat het COC eindelijk rechtspersoon zou worden. De NOS wilde Benno Premsela live in het Journaal van zes uur hebben maar hij vond het beter dat een jongere als ik dat zou doen. Het was de eerste rechtstreekse televisie-uitzending die ik meemaakte. Er zouden nog enkele volgen. Omdat er in die tijd nog geen mobieltjes waren, had ik Herman niet kunnen bereiken om hem in te seinen. Ik hoorde pas die avond laat dat hij mij gezien had door een raam van een huis naast het huis waar wij ruim dertig jaar zouden gaan wonen. Ik ben niet bijgelovig maar deze samenloop van omstandigheden blijf ik heel toevallig vinden.

Vertrek uit COC-hoofdbestuur
Die bewuste avond was ik in de tussentijd nog even op en neer gereden naar Groningen om daar een lezing te geven voor de plaatselijke COC-afdeling. Dat was kenmerkend voor de periode van 1971 tot 1975 dat ik algemeen secretaris van het COC was. Naast mijn werk als beginnend wetenschappelijk medewerker aan de universiteit van Utrecht ging daarin heel veel vrije tijd zitten. Ik zat 's avonds vaak op het COC-hoofdkantoor aan het Frederiksplein in Amsterdam of hield lezingen door het hele land. Zo was ik betrokken bij het oprichten van afdelingen in Friesland en Limburg.

De rest van het toenmalige hoofdbestuur vond (na het vertrek van Benno Premsela als voorzitter in 1971) dat ik te nauwe banden onderhield met de achterban. Mij bleek eind 1974 dat de meeste hoofdbestuursleden zelfs dachten dat ik met de afdelingen bezig was om een coup te plegen. Achteraf gezien, kan ik mij wel voorstellen dat mijn grote inzet voor het COC bij medebestuursleden weerstanden opriep. Zo hebben velen jarenlang in de buitenwereld gedacht dat ik Benno Premsela als voorzitter bij het COC was opgevolgd. Als algemeen secretaris was ik de woordvoerder voor het COC en kreeg daardoor veel meer media-aandacht dan de twee voorzitters die Benno Premsela waren opgevolgd.

De vertrouwensbreuk was voor mij een enorme schok. Een jarenlange tomeloze inzet voor het COC werd beloond met stank voor dank. Ik was er zo van overstuur dat Herman Benno Premsela vroeg om langs te komen. Hij kwam meteen van Amsterdam naar Vianen. Dat heeft mij enorm geholpen. Het was duidelijk dat ik mij te veel met het COC vereenzelvigd had. De goede les die ik toen geleerd heb, was dat ik de nodige afstand moest houden van organisaties waarbij ik mij betrokken voelde. Tijdens mijn promotie-onderzoek is mij gebleken dat heel veel oud-bestuurders van het COC de organisatie gefrustreerd verlaten hebben. Grappenderwijs werd de vereniging door sommigen wel "Crisis Op Crisis" genoemd. De persoonlijke betrokkenheid van vele vrijwilligers was zo groot dat velen teleurgesteld werden als het tegen zat. Ikzelf besloot uit het bestuur te stappen en de rest van het bestuur werd op het eerstvolgende congres weggestuurd.

Ruzie met Gaykrant
In de nu bijna 50 jaar dat ik lid ben van het COC was ik het niet altijd eens met het beleid van het COC. Zo heeft er jarenlang een soort van koude oorlog bestaan tussen het COC en de Gaykrant. Vanaf 1982 schreef ik daarin (zonder betaling) een maandelijkse column. In blogbericht 2 van 13 juli 2013 schrijf ik daarover: "Als algemeen secretaris van het COC van 1971 tot 1975 vond ik het nogal opmerkelijk dat mijn medewerking aan de Gaykrant voor het COC reden was om mij jarenlang te negeren. Gelukkig werd dat door het COC oktober 1998 goed gemaakt door mij als "een van de belangrijkste pijlers onder het succes van integratie van homoseksualiteit in de Nederlandse samenleving in de afgelopen dertig jaar" de Bob Angelo Penning uit te reiken. Er was in het verleden opmerkelijk veel haat en nijd in homoland maar gelukkig zijn de tijden ook in dit opzicht veranderd."

Openstelling huwelijk
Een ander belangrijk punt waarover het COC en ik jarenlang van mening verschilden, was de openstelling van het huwelijk voor paren van gelijk geslacht. Jarenlang waren velen in het COC van mening dat het huwelijk moest worden afgeschaft. Zelf was en ben ik van mening dat iedere vorm van achterstelling op grond van homoseksualiteit moest worden afgeschaft. Als hetero's mogen trouwen dan homo's ook, los van de vraag of ik zelf wilde trouwen. Herman en ik hebben al meer dan 43 jaar een notarieel samenlevingscontract en we hebben het daarbij gelaten.

Memoires
In komende blogberichten zal ik in het kader van mijn memoires in wording aandacht besteden aan mijn activiteiten in de homo/lesbische beweging nadat ik was afgetreden als algemeen secretaris van het COC. In de homo/lesbische politiek, in de International Gay & Lesbian Movement, als voorzitter van Homostudies Utrecht, als bestuurslid van Homodok, voorzitter van Homologie, vice-voorzitter van Homo RTV Urania voorzitter van Vrolijk en lid van de raad van toezicht van Schorer, als secretaris van de stichting Leerstoelen Lesbische en Homostudies, en ruim 30 jaar als columnist van de Gaykrant.



zaterdag 25 juli 2015

103. Solidariteit

In de afgelopen twee jaar heb ik enkele stukken uit mijn memoires in wording geplaatst in mijn blog. Het best bekeken zijn een viertal blogberichten over mijn eigen homoverleden: de nummers 32 over Mijn eerste vriendje, 45 over Gerard Reve & Antoine Bodar, 37 over de Rampenzomer 1967 en 28 over mijn Homojeugd. Uit mijn humanistisch verleden is het meest bekeken blogbericht nummer 41 over Piet Thoenes, van Dachau tot Utopia. Uit mijn onderwijsverleden is dat nummer 27: "Dachautje spelen". Hieronder een hoofdstukje over mijn politieke verleden.

Naoorlogs verleden
Vijftig jaar geleden werd ik lid van de Partij van de Arbeid. Het was  de eerste keer dat ik lid werd van een landelijke vereniging. Enkele jaren later gevolgd door de homo/lesbische organisatie het COC en het Humanistisch Verbond. Deze drie organisaties zijn opgericht in 1946, mijn geboortejaar. De drie hebben ook gemeen dat hun oprichting in het teken stond van de gruwelijkheden uit de Tweede Wereldoorlog. Zij gaan alle drie uit van het beginsel dat mensen het recht hebben om zelf zin en vorm te geven aan hun bestaan zolang zij de mensenrechten van anderen niet schaden. Zonder de overwinning op het nazisme hadden ze alle drie niet bestaan. Net zoals ik zelf mijn bestaan aan het einde van de oorlog te danken had. Mijn vader kwam als achttienjarige uit een Duits kamp en mijn moeder had als "Roomse Jodin" jarenlang een verborgen bestaan geleid.

Platvloers socialisme
Ik was een "moetje": zij moesten trouwen toen mijn moeder van mij in verwachting was.  Mijn atheïstische vader moest onder druk van zijn zeer katholieke schoonvader beloven dat ik katholiek werd opgevoed. Mijn vader was er als ongeschoold arbeider op tegen dat ik ging studeren. De verhoudingen thuis waren onhoudbaar geworden. Hij en zijn in huis wonende Groningse ouders waren platvloerse socialisten, gevoed door wrok tegenover een ieder die het beter had en anders was dan zij. Dankzij de steun van mijn moeder kon ik als achttienjarige uit het ouderlijk huis ontsnappen en toch gaan studeren aan de Nijmeegse katholieke universiteit door een beroep te doen op de belofte mij katholiek op te voeden.

Fascistoïde katholicisme
In Nijmegen viel ik van het ene uiterste in het andere. Het "Dachautje spelen" tijdens de (toen nog voor alle studenten verplichte!) ontgroening maakte mij bewust van de noodzaak om mij te organiseren en zo de verworven vrijheid te verdedigen. Ik besefte dat ik als zoon van een ongeschoolde arbeider nooit had kunnen studeren als de Partij van de Arbeid zich daarvoor niet had ingezet. De stap om daarvan lid te worden, betekende in het Nijmegen van die tijd nogal wat want ik werd op straat uitgescholden voor "vuile communist" door corpsstudenten wier politieke kennis kennelijk nogal beperkt was.

Liberale sociaal-democratie
Ik volgde de toenmalige partijscholing en kwam zo in contact met sleutelfiguren als de liberale sociaaldemocraat en humanist Hein Roethof (1921-1996).  Hij was lid van de Tweede Kamer van 1969 tot 1982 en van 1986 tot 1989. Ik voelde mij met hem verwant en vroeg hem vaak om advies. Zo ben ik in de loop der jaren herhaaldelijk gepolst om mij verkiesbaar te stellen voor de PvdA maar hij raadde mij dat af op grond van zijn eigen partijpolitieke ervaringen. Achteraf gezien ben ik hem daar zeer dankbaar voor want als politicus leef je in een glazen huis en dat zou een te grote aanslag op mijn persoonlijk leven zijn geweest.

Joop den Uyl
Mijn belangrijkste aanvaring met de PvdA was in 1977 toen ik net algemeen voorzitter was geworden van het Humanistisch Verbond. Met mijn voorganger Max Rood (1927-2001) had ik afgesproken dat hij in zijn afscheidsrede een pleidooi zou houden voor een coalitie van PvdA, D66 en de VVD om het machtsmisbruik door de christelijke partijen te beëindigen.  Hij kon dat makkelijker doen dan ik omdat hij lid was van D66 en omdat samenwerking met de VVD binnen de PvdA een groot taboe was in die tijd.

Hoe groot bleek al snel want ik werd als jong broekje van 30 op het matje geroepen door de partijleider van de PvdA Joop den Uyl (1919-1987) die toen nog minister-president was (van 1973 tot 1977). Hij vond het volstrekt onaanvaardbaar dat ik samenwerking met de "klassenvijand" VVD bepleitte. Mijn betoog dat mijn voorganger dat had gedaan en dat ik als voorzitter van het HV goede ervaringen had met "echte liberalen" in de humanistische achterban maakte weinig indruk op hem. Hij bleek wel gevoelig voor mijn argument dat uitsluiting van de VVD door de PvdA een onevenredig grote macht gaf aan de christelijke partijen. Hij zou dat zelf snel ondervinden omdat zijn verkiezingsoverwinning van 1977 in dat zelfde jaar eindigde in een "overwinningsnederlaag" toen christelijke partijen niet met de PvdA maar met de VVD in zee gingen.

Wim Kok
Ik had betere ervaringen met zijn opvolger als PvdA-partijleider Wim Kok (1938-). In de periode van 1976 tot 1981 werkte hij aan de oprichting van de Federatie Nederlandse Vakbeweging. De FNV was een fusie van algemene en katholieke bonden. De katholieke kerk had statutair de macht om dat tegen te houden. Zij had moeite met de fusie en eiste de oprichting van een FNV-secretariaat voor de levensbeschouwing. Wim Kok vond dat prima maar vond dat daarin niet alleen katholieken en protestanten maar zeker ook humanisten moesten zitten. Zo werd ik als voorzitter van het HV bij de onderhandelingen betrokken. De protestanten vonden dat ook de christelijke vakbond CNV in dat secretariaat zou moeten zitten. Ook dat vond Kok prima maar het CNV eiste tot mijn grote verbazing dat de volgens hen "antikerkelijke" humanisten er weer uitgegooid zouden worden. Tot mijn grote vreugde ging Kok niet op die eis in en zei dat iedereen zou worden uitgenodigd en dat men zelf maar moest zien of men op die uitnodiging in zou gaan of niet. Het CNV ging overstag en het secretariaat heeft lange tijd uitstekend werk verricht op het raakvlak van vakbeweging en levensbeschouwing.

Het is uiteindelijk onder leiding van Wim Kok geweest dat de al sinds 1977 ook door mij beoogde coalitie tussen PvdA, D66 en VVD tot stand is gekomen van 1994 tot 2002. Het door christelijke partijen jarenlang geblokkeerde zelfbeschikkingsrecht van mensen kon hierdoor eindelijk wettelijk erkend worden. Ik noem met name de openstelling van het huwelijk voor paren van gelijk geslacht (1 april 2001) en het recht op vrijwillge euthanasie (1 april 2002). Daarmee heeft Nederland voorbeelden gesteld die wereldwijd steeds meer navolging krijgen. Het is dan ook terecht dat het eerste boek over de geschiedenis van de International Humanist and Ethical Union aan het eind van zijn premierschap tijdens het wereldcongres van de IHEU in 2002 door redacteur Bert Gasenbeek (1953-) aan Wim Kok werd uitgereikt.

Karin Adelmund
De PvdA-bewindspersoon met wie ik het meest heb samengewerkt was Karin Adelmund (1949-2005). Zij was van 1998 tot 2002 in het kabinet Wim Kok II staatssecretaris voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Als voorzitter van het landelijk platform openbaar onderwijs CBOO had ik maandelijks agenda-overleg met haar op het ministerie. Ik was onder de indruk van haar persoonlijke betrokkenheid met haar werk, iets dat door velen als een zwakte werd en wordt gezien. Zij was een van de eersten die begrip had voor mijn pleidooi om meer te doen tegen de  toenemende homovijandigheid in het onderwijs. De meeste mensen (ook in de PvdA) wilden dat niet zien. Deels omdat men ten onrechte dacht dat de homo/lesbische emancipatie voltooid zou zijn. Deels omdat men de ogen sloot voor de homohaat in islamitische kringen. Mede dankzij haar is dit onderwerp op de politieke agenda gekomen en dankzij PvdA-bewindslieden als de huidige minister van Onderwijs Jet Bussemaker (1961-) wordt daar nog steeds de broodnodige aandacht aan besteed. Een brief van laatstgenoemde was voor mij een reden om met mijn blog te beginnen.

Trefpunt PvdA en levensovertuiging
Vanaf de oprichting in 1980 ben ik lid van het door het PvdA-partijbestuur ingestelde Trefpunt PvdA en levensovertuiging. Deze interlevensbeschouwelijke werkgroep bestaat uit deelnemers uit godsdienstige en humanistische stromingen binnen de Nederlandse sociaaldemocratie. In landen zoals Frankrijk wordt de scheiding van kerk en staat strikt neutralistisch opgevat: die moeten zo weinig mogelijk met elkaar te maken hebben. In Nederland bestaat een pluralistische traditie: alle geestelijke stromingen worden gelijk behandeld. Noch de staat noch de genootschappen op geestelijke grondslag proberen op elkaars stoel te gaan zitten. Dit heeft een belangrijke rol gespeeld bij de wijziging van de Grondwet van 1983 en de landelijke bekostiging van godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs op openbare basisscholen. Daarover later meer.

"Kiezersbedrog"
Sommigen zijn van mening dat je het 100% eens moet zijn met een partij om er lid van te kunnen zijn. Ik ben het daar uit democratisch oogpunt mee oneens. Men kan het eens zijn met de uitgangspunten maar van mening verschillen over de uitvoering ervan. Ook het gezeur in de media over "kiezersbedrog" bij het vormen van regeringscoalities geeft blijk van een wezenlijk misverstand over democratie. Van kiezersbedrog kan alleen sprake zijn als een partij bij de verkiezingen een meerderheid haalt en dat is al eeuwenlang in het altijd polderend Nederland niet voorgekomen.

Solidariteit
Solidariteit betekent voor mij geen opgelegde dwang maar een welbegrepen eigenbelang. Wie opkomt voor de zwakkeren in de samenleving heeft daar uiteindelijk zelf ook belang bij omdat we allemaal in zo'n toestand terecht kunnen komen. Wie alleen maar oog heeft voor beperkte eigenbelangen (zie mijn blogbericht over Turkse troebelen) heeft in een solidaire partij als de PvdA niets te zoeken. Zeker niet als andere minderheden daardoor benadeeld worden!  



Scholen worden homovriendelijker volgens onderzoek EenVandaag. 

zaterdag 18 juli 2015

102. Grenzenloos Nederlands

Het feit dat mijn blog in meer dan honderd landen gelezen wordt, heeft er mee te maken dat kennis van het Nederlands veel meer verspreid is dan de meeste mensen denken. Ook weten de meeste Nederlandstaligen heel erg weinig over de vroegere verspreiding van het Nederlands. Wie weten bijvoorbeeld dat de postzegels van het vroegere Belgisch-Congo ook Nederlandstalig waren?

Grenzeloos Nederland
Ik kom op die wereldwijde verspreiding van het Nederlands dankzij een aantal boeiende landkaarten in een bericht van Postzegelblog onder de titel 'Grenzeloos Nederland'. Onder die naam zijn postzegelvelletjes verschenen over de banden van Nederland met de Nederlandse Antillen & Aruba (2008), Brazilië (2009), Suriname (2010), Zuid-Afrika (2011), Indonesië (2012), België (2013) en Japan (2014). De Verenigde Staten volgen dit jaar.

Over de grote rol die de Nederlandse taal en cultuur hebben gespeeld bij het ontstaan van de Verenigde Staten heb ik al eerder geschreven in de blogberichten 15, (Anti)Holland Mania & Nieuw Amsterdam, en 16, Hans Brinker and a finger in a leaking dike. Je kunt zelfs sporen van die tolerantie uit de Lage Landen terugvinden in de openstelling van het huwelijk voor paren van gelijk geslacht. In blogbericht 101, American Democracy 101, leg ik uit hoe de goede voorbeelden van Nederland (2001) en België (2003) werden gevolgd. Voor wie meer wil weten over de wereldwijde kracht van de homo/lesbische beweging: lees mijn hoofdstuk over "Homoseksualiteit als toetssteen".

In de blogberichten 20, No Dutch please!, en 22, Nieuw Holland & Nieuw Zeeland, toon ik aan hoe met name Engelsen getracht hebben om de Nederlandse invloed overzee weg te moffelen in landen als Australië (Nieuw-Holland), Bangladesh (Oost-Bengalen), Ghana (Goudkust), Guyana, India, Maleisië (Malakka), Mauritius, New Zealand (Nieuw-Zeeland), Singapore en Sri Lanka (Ceylon). In Zuid-Afrika is ze dat niet gelukt. Brazilië, Japan en Taiwan gaan ruimhartiger om met hun Nederlands verleden. En ook in huidig Indonesië (Nederlands Indië) is sprake van een weer toenemende belangstelling voor drie eeuwen van verbondenheid met Nederland en het Nederlands.

Rol van Vlaanderen onderschat
De rol van Vlaanderen wordt bij dit alles vaak onderschat. Velen denken dat de rijkdom van de Lage Landen vooral afkomstig was van de wereldhandel met Amerika, Azië en ook Afrika. Men vergeet dat de rijkdom van middeleeuws Vlaanderen voorafgaat aan die van Holland. Zo speelde Brugge een grote rol bij de ontwikkeling van het grote middeleeuwse netwerk van de Hanzesteden. Dat was een handelsnetwerk langs de kusten van de Noord- en de Oostzee met steden als Bremen, Hamburg, Lubeck, Danswijk (de oude Nederlandse naam voor Danzig nu Gdansk), Koningsbergen (nu Kaliningrad), Riga en Reval (nu Tallinn). Hier lag de grondslag voor de welvaart in de Lage Landen, niet in de slavenhandel zoals sommigen denken.

De voertaal in de Hanzesteden was het toenmalige Nederduits dat gesproken werd van Duinkerken (in wat nu Frans-Vlaanderen heet) tot in de Baltische staten. De handel met de rest van de wereld kwam pas goed op gang in de zeventiende eeuw tijdens de Nederlandse Gouden Eeuw. Ook hier wordt vaak vergeten dat die welvaart mede tot stand kwam dankzij de vluchtelingen uit grote delen van Vlaanderen en Brabant toen deze Zuid-Nederlandse gewesten door Spaanse troepen bezet werden. Het hedendaags Nederlands ontstond onder andere dankzij de invloeden vanuit Vlaanderen en Brabant.

Grenzenloos Nederlands
Oplettende lezers hebben gezien dat ik van 'Grenzeloos Nederland' Grenzenloos Nederlands heb gemaakt. In de eerste plaats omdat mijn blog niet zozeer over Nederland gaat maar over de betekenis van de Nederlandse taal en cultuur wereldwijd. In de tweede plaats omdat ik het niet eens ben met het gebruik van de tussen-n in het Groene Boekje, de Woordenlijst Nederlandse Taal volgens de Spellingwet. Daarin staan onzinnige dingen als ruggengraat terwijl ieder mens toch echt één ruggegraat heeft. En uitgerekend bij het woord grenzenloos valt de tussen-n weg terwijl we toch vele grenzen hebben. Mede daarom houd ik mij aan het Witte Boekje van het Genootschap Onze Taal dat ik iedere Nederlandstalige zeer kan aanbevelen. In het Witte Boekje staat terecht dat 'grenzeloos' ongeremd betekent en dat kan noch van Nederland noch van het Nederlands gezegd worden.

Wat heeft het wereldwijde Nederlands met postzegels te maken? Men kan het zich in deze tijden van internet nauwelijks meer voorstellen maar postzegels waren voor mij als klein jongetje in de jaren vijftig vensters op de wereld. Zo werd ik mij bewust van de Vlaamse Beweging door de tweetalige (Frans/Nederlands) postzegels van België en Belgisch-Congo (1908-1960). En zo ontdekte ik de betekenis van de Hanzesteden door de zeer Nederlands uitziende plaatjes en de Gulden op de postzegels van de Vrije Stad Danzig (1920-1939). En de rol van de Afrikaners door het Nederlands op de postzegels van de Boerenrepublieken en de tweetalige (Afrikaans/Engels) postzegels van Zuid-Afrika.

Ik merkte wel dat de Griekse postzegels waarop beelden van blote mannen te zien waren een zekere aantrekkingskracht op mij uitoefenden. Maar ik had in mijn jeugd geen idee wat dat met mijn seksualiteit te maken had. Internet heeft de vensters op wereld wijd open gezet. Al blijft mannennaakt dat niet met geweld of seks te maken heeft nog altijd zeldzaam. Postzegels waren en zijn een bron van cultuurhistorische inspiratie!




Een lezer uit de Verenigde Staten wijst mij er op dat hij mijn blog kan lezen dankzij Google Translate. Hartelijk dank voor deze aanvulling!