zaterdag 2 augustus 2014

53. Van homohaat tot vliegramp

In mijn vorige blogbericht, over het monster Trotteldrom, schreef ik: "van homohaat tot vliegramp". Sommige lezers begrepen niet wat ik daarmee bedoelde. Om dat uit te leggen moet ik eerst de vraag beantwoorden: "wat hebben kanaries met mijnrampen te maken?".

Vroeger namen mijnwerkers kanaries de steenkolenmijnen in omdat deze vogeltjes heel gevoelig zijn voor dodelijke gassen zoals koolmonoxide en methaan. Als de kanaries dood neervielen, wisten de mijnwerkers dat ze zo snel mogelijk de mijn moesten ontvluchten. Mijn stelling is dat homo/lesbische minderheden de rol van kanaries kunnen vervullen in mensenrechten bedreigende maatschappijen. Als minderheden aangetast worden in het recht van mensen om zelf zin en vorm te geven aan hun leven dan weet je dat er dodelijke slachtoffers kunnen gaan vallen.

Anders dan vele andere minderheden is de homo/lesbische uiterst kwetsbaar. Homo's en lesbo's groeien vrijwel altijd op in een heteroseksuele omgeving waardoor het hen meestal ontbreekt aan positieve rolmodellen. Velen denken in homovijandige omgevingen zelfs dat zij de enigen zijn. Er is meestal geen sprake van homo/lesbische zelforganisatie die goed tegenspel kan bieden tegen onderdrukking. Daardoor duiken velen onder in een leven als schijnbare hetero waardoor zij nog veel kwetsbaarder worden.

Als een variant op het Stockholmsyndroom nemen helaas sommigen uit homo/lesbische minderheden hun toevlucht tot instellingen die hen vervolgen: kerk, moskee, politie, leger, geheime diensten. Daar behoren zij vaak tot degenen die het hardvochtigst zijn tegen hun gevoelsgenoten. Zo vervolgen zij in anderen wat zij in henzelf onderdrukken. Heel veel homohaters denken dat zij daardoor niet van homoseksualiteit verdacht zouden kunnen worden. Terwijl wij beter zouden moeten weten. Want waarom zouden echte hetero's zich bedreigd voelen door homo's?

Uit een recent onderzoek naar de positie van homo/lesbische militairen wereldwijd blijkt weer eens hoezeer de onderdrukking van homoseksualiteit samenhangt met het in het algemeen schenden van mensenrechten in maatschappijen. De invoering van anti-homo-wetten in Rusland is niet een op zichzelf staande gebeurtenis maar maakt deel uit van een door een fundamentalistische orthodoxe kerk gevoed nationalisme tegen het zogenaamd 'decadente' Westen. De strijd tegen de zogenaamd 'fascistische' Oekraïne is daar ook een onderdeel van. Deze nationalistische Russen voelen zich van alle kanten bedreigd en komen zo tot het zoeken van zwarte schapen, van homo's tot vermeende fascisten.

Het wereldwijde verzet tegen de Russische anti-homo-wetten mag daarom niet worden afgedaan als een onbeduidend nevenverschijnsel. Het was een waarschuwing: eerst sneuvelen de kwetsbare kanaries en daarna kunnen grootschaliger rampen volgen.


zaterdag 26 juli 2014

52. Het monster Trotteldrom

Een van de leuke dingen van een blog zijn de verzoeken om 'verzoeknummers': dat zijn door lezers genoemde onderwerpen om een blog over te schrijven. Zo bereikte mij de vraag om te schrijven over homotaal. Een heel boeiend onderwerp maar dat doe ik een volgende keer omdat er meer dringende zaken zijn rond het schijndemocatische Rusland van Poetin,  van homohaat tot vliegramp.

In de veertig jaar dat ik colleges heb gegeven, behandelde ik vaak het Bommelverhaal over Tom Poes en het monster Trotteldrom van Marten Toonder. Ik noemde die titel al in mijn vorige blogbericht, dat ging over Homostudies. Ik haal nu nu enkele stukken aan uit het genoemde hoofdstuk in het boek Homoseksualiteit in beeld (Utrecht 1989 blz.152-167).

"De heer Olivier B. Bommel en zijn jonge vriend Tom Poes bezoeken op een van hun vele reizen een eiland dat geterroriseerd wordt door het monster Trotteldrom. (...) De eilandbewoners voelen op een bepaald ogenblik dat het monster eraan komt en vluchten in paniek naar hun schuilkelders. Als zij na verloop van tijd uit hun sidderende angst ontwaken en de schuilplaatsen verlaten dan zien zij dat het monster voor de zoveelste keer hun eiland verwoest heeft. 

De 'kritische intellectueel' Tom Poes gaat op onderzoek uit en ontdekt dat het gevreesde hol van het monster leeg is, maar via een netwerk van gangen verbonden is met de schuilkelders van de bevolking. De oplettende lezer(es) begrijpt het al: het monster zijn de mensen zelf, alleen weten ze dat niet. Zij vluchten voor iets dat zij zelf in stand houden. En daarmee heeft de jonge vriend Poes een belangrijke taak van de sociale wetenschappers laten zien. Zij onderzoeken hoe de sociale werkelijkheid tot stand gebracht wordt. Maar ook hoe de samenleving zodanig gewijzigd kan worden dat zij het menselijk welzijn dient, in plaats van bedreigt.

Ook de beeldvorming rond homoseksualiteit gedraagt zich als het monster Trotteldrom, zo lijkt het. Immers: wat is er mooier dan mensen die van elkaar houden? En hoe weinig doet het ertoe of zij al dan niet dezelfde huidkleur hebben of al dan niet van hetzelfde geslacht zijn? Zou de negatieve beeldvorming rond homoseksualiteit niet meer bestaan, dan zou niemand meer problemen hebben met vrouwen of mannen die zich tot elkaar aangetrokken voelen. Waarom wordt het 'monster' homoseksualiteit dan toch niet ontmaskerd of afgeschaft?"

Uit mijn boek Homoseksualiteit in Nederland (Amsterdam 1982) blijkt dat de beeldvorming rond homoseksualiteit in de eerste helft van de vorige eeuw er op gericht was om alleen de negatieve aspecten te benadrukken. Dankzij de sterke homo/lesbische zelforganisatie in Nederland lukte het vooral vanaf de jaren zestig en zeventig om ook de positieve aspecten van homoseksualiteit over het voetlicht te krijgen. Iets dat in de meeste homovijandige landen niet gebeurt of zelfs strafbaar is (zoals in Rusland). Opvallend is daarbij dat de haat tegen de homo/lesbische minderheid vaak wordt aangewakkerd door lieden die persoonlijk worstelen met hun eigen seksuele gerichtheid, zoals Stephen Fry subtiel aantoont in zijn documentaire Out There.

Het (in mijn ogen heel humanistische) beeldverhaal van Marten Toonder over het monster Trotteldrom laat ook goed zien dat de eilandbewoners democratie ten onrechte opvatten als de dictatuur van de meerderheid. Mensenrechten van individuen worden er niet gerespecteerd, zoals nu in het Rusland van Poetin waar de meeste media de homohaat aanwakkeren. Diezelfde mediamanipulatie zien we in Russische beeldvorming over het zogenaamd 'fascistische' Oekraïne dat uiteindelijk tot de fatale vliegramp van 17 juli 2014 heeft geleid. Het ontbreekt helaas in Rusland aan voldoende mensen die net als Tom Poes doorhebben dat het land (en daardoor zijn buren) worden geteisterd door een monster dat zij zelf in leven houden: Trotteldrom!



Naschrift: voor een verhelderend verhaal over de Nederlandse rouwverwerking na de vliegramp van 17 juli 2014 zie dit verhaal van Russell Shorto.

zaterdag 19 juli 2014

51. Homostudies

Een voordeel van voorpublicaties per blog is dat lezers vragen kunnen stellen over mijn memoires in wording. Zo vroeg iemand naar aanleiding van blogbericht 50 : "Homostudies zijn toch niet meer nodig nu homoseksualiteit aanvaard is?" Zoals Nieuw Lila al in 1969 stelde: homoseksualiteit is niet het probleem maar de maatschappelijke veroordeling er van. En die is in Nederland (en zeker wereldwijd) nog lang niet verdwenen. Het treurige is dat veel homohaters net doen alsof zij homoseksualiteit opgedrongen krijgen terwijl zij in feite heteroseksualiteit aan de homo/lesbische minderheid willen opdringen. Een echte mensenrechtenschending. Mensenrechten verdedigen is geen vorm van opdringen maar juist van het beschermen tegen opdringen, zoals ik uitleg in mijn in 1990 gehouden Socrateslezing Humanisme onder kritiek.

Een duidelijk bewijs van schending van mensenrechten levert het rapport LGBT Military Personel: a Stategic Vision for Inclusion van het The Hague Centre for Stategic Studies dat onlangs is verschenen. In de meeste landen is geen sprake van gelijkberechtiging van homo/lesbische militairen. De tien homovijandigste legers zijn die van Nigeria, Iran, Syrië, Zimbabwe, Ghana, Saoedi-Arabië, Oeganda, Botswana, Kenia en Kameroen. Zoals ik eerder schreef in blogbericht 19 komt homovijandigheid vooral voor in islamitische landen en in vroegere Britse kolonies. Een veel voorkomend verhaal is dat homo/lesbische militairen een gevaar voor de veiligheid zouden vormen omdat zij gechanteerd zouden kunnen worden. In werkelijkheid is het net andersom: niet homoseksualiteit is een veiligheidsrisico maar het verbod er op want dat kan tot chantage leiden omdat homo/lesbische militairen tot een dubbelleven worden gedwongen.

Dat was in Nederland ook de reden om in 1974 het verbod op homoseksualiteit in de strijdkrachten te schrappen. Sinds 1987 kent Nederland (als eerste land) een door het ministerie van Defensie erkend homo/lesbisch netwerk, de Stichting Homoseksualiteit en Krijgsmacht (SHK). Deze stichting is ook een van de medeoprichters van een soortgelijk LHBT-netwerk in de NAVO. De meest homovriendelijke legers zijn volgens het rapport te vinden in Nieuw Zeeland, Nederland, Verenigd Koninkrijk, Zweden, Australië, Canada, Denemarken, België, Israël en Frankrijk. De Verenigde Staten komen pas op plaats veertig! En Rusland op plaats 73, nog net voor het slechtst scorende NAVO-lid Turkije op plaats 77. De grote verdienste van het rapport is niet alleen dat het de bestaande toestand in kaart brengt maar ook aangeeft hoe die verbeterd kan worden.

Dit onderzoek past in een reeks die ik ruim twintig jaar geleden begon met World Survey on the Social and Legal Position of Gays and Lesbians; in: The Third Pink Book; Buffalo NY, 1993; 247-342. Het grote belang van dit soort onderzoek is dat beleidsmakers kunnen zien waar de knelpunten zitten en wat er aan gedaan kan worden. Dat was ook het geval met mijn proefschrift Homoseksualiteit in Nederland uit februari 1982. Het toeval wilde dat juni 1982 de Roze Zaterdag (voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis) werd verstoord door homovijandige jongeren, en wel in Amersfoort. Dat werd het startpunt van homobeleid zoals wij dat nu kennen. In dat kader was veel nader onderzoek nodig naar knelpunten. En dat werd het begin van de Interfacultaire Werkgroep Homostudies Utrecht.

En toen wilde ik een link maken naar de lijst van tientallen onderzoeksrapporten die Homostudies Utrecht heeft doen verschijnen. Tot mijn verrassing bleek die via de zoekmachine van Google op internet niet te vinden! Daarom plaats ik ze hieronder opdat ze uit de dreigende vergetelheid worden gered. De meeste publicaties zijn te raadplegen via IHLIA in Amsterdam.

Waarom is dat belangrijk? Binnenkort krijgen we ongetwijfeld weer het bekende gezeur over de jaarlijkse Canal Parade in Amsterdam: "waarom moet dat nou nog zo nodig?" Onlangs kwam de Australische zwemkampioen Ian Thorpe uit de kast na veertien jaar geworstel met zijn homoseksualiteit. En dat in een van de meest homovriendelijke sporten ter wereld. Dat de gluiperige homohater en columnist Youp hem kennelijk probleemloos kan uitschelden in de 'kwaliteitskrant' NRC van vandaag als "Australische zwemnicht" die "heeft bekend dat hij de rugslag toch het lekkerste vindt", zegt al genoeg over de Nederlandse schijnverdraagzaamheid.

Zelfs in het schijnbaar zo homovriendelijke Nederland wordt vrijwel niets gedaan aan het op scholen gebruikelijke 'homo' als scheldwoord. Iedereen die dus nu nog zeurt zou eigenlijk verplicht moeten worden om een van de onderstaande publicaties eens te lezen. Een leestip: vooral het verhaal over Het monster Trotteldrom is aan te raden in het boek van Petra Schedler, Judith Schuyf, Klaas Soesbeek (red.). Homoseksualiteit in beeld. Radio, televisie, schrijvende pers, reclame. 1989 (blz.152-167). Veel leesplezier!


PUBLICATIEREEKS HOMOSTUDIES UTRECHT
Brochurereeks tgv 350-jarig bestaan van de Rijksuniversiteit Utrecht:
1. Jan Bour, Ria Gresnigt, Rob Tielman. Homoseksualiteit en onderwijs. 1986
2. Joop Keegel, Rob Tielman. Homoseksueel ouderschap. 1986
3. Jaap Gerlof, Rob Tielman. Hebben homo's ouders? 1986
In eigen beheer verschenen:
1. Marianne Hoogma, Wet en Werkelijkheid. Literatuuronderzoek naar de voorwaarden waaronder een Wet Gelijke Behandeling optimaal kan functioneren. 1984
2. Cees Waaldijk, Rob Tielman. Grondrechtenafweging en de Wet Gelijke Behandeling. Een model en een toepassing. 1984
3. Marion Dobbeling, Pieter Koenders. Het topje van de ijsberg. Inventarisatie van tien jaar discriminatie op grond van homoseksualiteit en leefvorm. 1984
4. Edwin Bakker, Judith Schuyf (red.). Homoseksualiteit en de media. Verslag van een studiedag georganiseerd door Homo RTV Urania en Homostudies Utrecht. 1985
5. Ans van Ginhoven, Marianne Hoogma. Gelijk krijgen is de kunst. Een onderzoek naar het functioneren van commissies gelijke behandeling in verschillende landen. 1985
6. Jan Aandewiel, Theo van Soerland, Peter van Weert. Politie en homoseksualiteit. 1985
7. Karlein Schreurs. Het is maar hoe je bekijkt. Een onderzoek naar identiteit en subcultuur bij lesbische vrouwen uit Groep 7152. 1986
8. Klaas Soesbeek. Homomannen buiten het Homowereldje. 1986
9. Bert van Steenderen. Homo worden, Homo zijn. Een onderzoek naar de vormgeving van een homoseksuele identiteit bij jongens. 1987
10. Hans Warmerdam, Pieter Koenders. Cultuur en ontspanning. Het COC 1946-1966. 1988
11. Thijs Maasen. De pedagogische eros in het geding. Gustav Wyneken en de pedagogische vriendschap in de Freie Schulgemeinde Wickersdorf tussen 1906-1931. 1988
12. Rob Tielman, Evert van der Veen (red.). Second ILGA Pink Book. A Global View of Lesbian and Gay Liberation and Oppression. 1988
13. Theo Sandfort. Het belang van de ervaring. Over seksuele contacten in de vroege jeugdjaren en seksueel gedrag en beleven op latere leeftijd. 1988
14. Jeanette Geerlings, Marion van der Meer. Lesbisch moederschap, praktijk en theorie. 1989
15. Astrid Mattijssen, Martin Moerings (red.). Wet gelijke behandeling in perspektief. 1989
16. Agnes van Wijnen, Annemieke van Brandenburg, Rob Tielman. Homo's met een handicap bestaan niet. 1990
17. Michal Dallas. Onveilige seks bij homomannen. 1990
18. Karlein Schreurs. Vrouwen in lesbische relaties. Verbondenheid, autonomie en seksualiteit. 1990
19. Wouter Geurtsen, Annet Hofmeijer, Ton Zondervan. Homo of hetero, gezegend ben je! Remonstranten over huwelijk en andere relatievormen. 1991
20. Adrianne Dercksen, Marty van Kerkhof, Astrid Mattijssen, Theo Sandfort, Evert van der Veen (red.). Tolerantie onder NAP. 20 essays over homoseksualiteit voor Rob Tielman. 1992
21. Diana van Oort. (On)zichtbaar (seksueel) geweld tegen lesbische vrouwen en meisjes. 1993
22. Niels Teunis, John de Wit, Theo Sandfort. Voor een half uurtje lol ga ik geen risico lopen. Homoseksuele mannen en veilig vrijen. 1993
23. Cax Hoekzema, Miriam van Hooren, Theo Sandfort. Vrijen met je sokken aan. Homoseksuele mannen en condoomgebruik. 1993
24. Klaas Soesbeek, Letty Bonfrere. Zouden ze bestaan?! Homoseksualiteit en ouder worden. 1993
25. Eline Stroes, Henny Bos, Theo Sandfort. Lesbische vrouwen en AIDS. Van solidariteit tot persoonlijke bezorgdheid. 1994
26. Carla Jonker, Theo Sandfort, Desirée Schyns. Lesbisch zijn in Nederland. Over vormgeving en bejegening in publieke situaties. 1994
27. Peter Dankmeijer. Vies niet, homo wel! Ervaringen van homo- en lesbische docenten. 1994
28. Ontbreekt in mijn archief: vermoedelijk niet verschenen.
29. Evert van der Veen, Adrianne Dercksen. Het steekt van tijd tot tijd de kop op. Homodiscriminatie in de jaren tachtig. 1994
30. Theo Sandfort, Ernest de Vroome. Homoseksuele mannen en 'gewone' SOA. 1996
31. Judith Schuyf. Oud Roze. De positie van lesbische en homoseksuele ouderen in Nederland. 1996
32. Vera Adriaanse e.a. Homo/lesbo worden. Aanbod van De Kringen en achtergronden van deelnemers. Zonder jaartal: 1996 ?
Boeken Homostudies Utrecht uitgegeven bij Uitgeverij Veen, Utrecht/Antwerpen:
1. Petra Schedler, Judith Schuyf, Klaas Soesbeek (red.). Homoseksualiteit in beeld. Radio, televisie, schrijvende pers, reclame. 1989
2. Lex van Naerssen. Labyrint zonder muren. Analyse van het seksueel verlangen. 1989
3. Marty van Kerkhof, Theo Sandfort, Rob Geensen. Als je het nou van hard werken kreeg! Tien jaar aids en homocultuur. 1991



Naschrift: het noodlot wil dat in de rampvlucht van Amsterdam naar Kuala Lumpur op 17 juli 2014 aids-onderzoekers zaten op weg naar de jaarlijkse wereld-aids-conferentie, dit keer in Melbourne in Australië. In de jaren tachtig en negentig heb ik regelmatig als sociaalwetenschappelijk aids-onderzoeker  aan die conferenties deel genomen. Zo heb ik meegeholpen om die conferentie in 1992 naar Amsterdam te doen verplaatsen. Met name de dood van Joep Lange heeft mij zeer geschokt. Hij heeft onder andere als oud-voorzitter van de International AIDS Society een belangrijke rol gespeeld in de strijd tegen aids wereldwijd en was een zeer aimabel mens waarmee ik jarenlang goed heb samengewerkt. Zijn dood is een groot verlies in de strijd tegen aids.

Voor een verhelderend verhaal over Nederlandse rouwverwerking zie dit artikel van Russell Shorto .

zaterdag 12 juli 2014

50. Aan de dood ontsnapt...

Net als in het jubeljaar 1971 komen begin 1972 de drie hoofdlijnen (homoseksualiteit, humanisme en onderwijs) van mijn memoires in wording weer bij elkaar. Dit keer rond een dramatische gebeurtenis die mij bijna het leven had gekost. Dit blogbericht breng ik onder bij de hoofdlijn homoseksualiteit omdat het bijna noodlottige ongeluk plaats vond terwijl ik op weg was naar een afspraak met Benno Premsela in zijn woonhuis aan de Keizersgracht in Amsterdam. De vermeldingen met (blz.) verwijzen alle naar mijn boek Homoseksualiteit in Nederland.

UTRECHT DECEMBER 1971 / JANUARI 1972

In de eerste jaren van mijn werk als wetenschappelijk medewerker aan de (toen nog) Rijksuniversiteit Utrecht was ik veel tijd kwijt aan de inleiding in de sociologie die ik heb gegeven aan eerstejaars in de Faculteit Sociale Wetenschappen. Dat waren in de jaren zeventig honderden studenten per jaar. Na het eerste trimester moesten die allemaal getoetst worden. De meeste docenten werkten in die tijd met meerkeuzetoetsen. Ik deed dat niet omdat die toetsen volgens mij geen goed beeld gaven om te beoordelen of de studenten de colleges goed begrepen hadden. Het gevolg was dat ik deze kerstvakantie en vele volgende doorbracht met het beoordelen van vaak boeiende maar soms slecht leesbare open antwoorden. 


In de loop van de jaren zeventig liepen de aantallen studenten terug omdat het vak sociologie uit de mode raakte. Dankzij het onverwachte succes van mijn proefschrift Homoseksualiteit in Nederland in 1982 hoefde ik daarna niet meer algemene colleges te geven en kon ik (door derden betaald voor het doen van onderzoek) als een soort kleine zelfstandige binnen de universiteit samen met anderen een eigen instituut beginnen rond de Interfacultaire Werkgroep Homostudies Utrecht (blz.227-228, 245-246, 264, 277-278).

UTRECHT JANUARI 1972

Een van mijn eerste (allemaal onbetaalde) bestuurlijke taken in de humanistische beweging was het lidmaatschap van de Chairman's Committee van de IHEU. Daar begon ik januari 1972 mee. Voor de geschiedenis van deze wereldkoepel zie: Bert Gasenbeek (red.), International Humanist and Ethical Union 1952-2002, Utrecht 2002.  Mij viel op hoe weinig homo's actief waren in de internationale humanistische beweging terwijl die toch een uiterst belangrijke bondgenoot was. Een uitzondering die zeker vermeld moet worden is Henri Methorst (blz.143-144, 151-153, 164) die als vrijwilliger getolkt heeft veel op IHEU-congessen.

Voorzitter Jaap van Praag maakte zich in die tijd ernstige zorgen over het voortbestaan van de IHEU die in beslissende mate afhankelijk was van zijn voorzitterschap en een kleine groep Nederlandse vrijwilligers. Mede-vrijwilligster algemeen secretaris Nettie Klein en ik besteedden veel tijd en energie aan het redden van de IHEU. Allereerst moest de opvolging van Jaap van Praag geregeld worden. Dat kon volgens ons het beste door een driemanschap gezien de grote rol die hij gespeeld had. Als Nederlands lid van die 'trojka' vonden wij Piet Thoenes bereid. Het voortbestaan van de IHEU was mede daardoor gered.

AMSTERDAM JANUARI / FEBRUARI 1972
 
Het eerste jaar als algemeen secretaris van het COC was het begin van een waanzinnig drukke tijd (blz.225-262). Ik beperk mij nu tot de dingen die ik niet in mijn proefschrift heb opgenomen. Het was in de voorgaande jaren kennelijk gebruik geworden dat alle bestuursleden elkaar zoenden. Ik voelde daar niets voor, vooral omdat ik het zakelijke gescheiden wilde houden van het persoonlijke. Ook bleek mij dat de vorige algemeen secretaris een verhouding had gehad met de secretariaatsmedewerker. Dat leek mij om dezelfde reden geen goed idee. Sterker nog: ik trok als eerste een heterovrouw aan die een uitstekende directiesecretaresse bleek te zijn. En een medewerker die weliswaar homo was maar als SGP-er tegen homo-emancipatie was, heb ik om die reden moeten ontslaan omdat hij in strijd met de statuten handelde. Hij vocht dat aan omdat hij naar eigen zeggen "vanwege zijn homofilie" ontslagen zou zijn maar het COC won deze zaak.

Het uiterst belangrijke COC-archief bevond zich in een kelder van het COC-kantoor (aan het Frederiksplein in Amsterdam) waar een olie-cv regelmatig olieroet over de archieven verspreidde. Het koste mij enige moeite om het bestuur ervan te overtuigen dat het archief naar het Rijksarchief moest om het voor de toekomst veilig te stellen. Men was bang dat de 'aartsvijand' de overheid daar misbruik van zou maken. Maar met de hulp van archiefkenner Jan Rogier kon ik die vrees wegnemen.

Ik was zoveel mogelijk op het COC-kantoor in Amsterdam en was in feite een soort onbetaalde directeur. Zo kwam het dat ik op een ochtend de telefoon opnam toen een ziekenhuisverpleegster mij belde. Er was een patiënt opgenomen die niets meer kon zeggen behalve de letters C O C. Ze was in het telefoonboek gaan kijken en had daar het gedraaide nummer gevonden. Het bleek de mede-oprichter van het COC Jaap van Leeuwen te zijn. Anders dan Wikipedia vermeldt (waarom wordt niet aan de betrokkenen gevraagd of de feiten kloppen?) was hij dus niet dood. Hij had mij herhaaldelijk verteld dat zijn waardevolle boekencollectie en archief naar het COC moest verhuizen als hij zou overlijden. Met behulp van een notaris en de politie kon zijn appartement verzegeld worden zodat zijn homovijandige gereformeerde familie niet alles kon vernietigen zoals ze van plan waren. Na zijn herstel kon een en ander alsnog goed geregeld worden en was een belangrijk stuk homogeschiedenis veilig gesteld.

Op een koude zondagmorgen reed ik februari 1972 door een doodstil Amsterdam over de Keizersgracht naar het huis van Benno Premsela. Hij had een afspraak met enkele voorlopers van de huidige Italiaanse homobeweging Arcigay. Benno sprak vloeiend Italiaans en ik was uitgenodigd om er (dankzij mijn kennis van Latijn en Frans) in het Nederlands een verslag van te maken. Ik reed netjes vijftig en ongeveer honderd meter voor de kruising met de Vijzelstraat sprong het licht op groen. Op de kruising (bij het huidige Stadsarchief Amsterdam waar zich het archief van Benno Premsela bevindt) werd mijn Volvo Amazon in volle snelheid gepakt door een tram die van rechts kwam. Mijn auto en ik werden over de brug tientallen meters meegesleurd voor we stil stonden. De trambestuurder verklaarde later tegen de politie dat hij "door laat oranje" was gereden.

Ik moet heel lang buiten bewustzijn zijn geweest. Want voor de botsing was de kruising uitgestorven en toen ik weer bij kwam stond het zwart van de mensen. Het eerste dat ik mij herinner was dat men riep "hij leeft nog!". Ik werd aangesproken door een echte Amsterdammer die mij vroeg of hij de autoradio mocht kopen. Toen wist ik het zeker: ik leef nog en ik ben in Amsterdam. 

Van de klap zelf herinner ik mij niets. Er waren geen getuigen die konden bevestigen dat ik door groen was gereden. Beide partijen draaiden zelf voor de schade op. Ik kan mij nog goed herinneren dat ik door vriendelijke agenten naar het huis van Benno werd gebracht die zich goed om mij bekommerde. Het was voor iedereen duidelijk dat ik het ongeval niet zou hebben overleefd als John voor mij geen VOLVO met ijzeren kooi had gekocht maar een autootje waarin armlastige studenten in die tijd rondreden. 

In de NRC stond een foto van het ongeluk met daarbij de vraag hoe het mogelijk was dat iemand dit overleefd had. VOLVO vroeg mij toestemming om het wrak naar Zweden te vervoeren want ze hadden nog nooit een eigen auto bestudeerd waar een Amsterdamse tram overheen was gegaan en de bestuurder het overleefde. In ruil kreeg ik een andere tweedehands Amazon die ik bij 300.000 kilometer inruilde voor weer zo eentje die mijn leven had gered!

zaterdag 5 juli 2014

49. Mijn blog bestaat één jaar!

Toen ik een jaar geleden op 6 juli 2013 begon met het wekelijkse bloggen, vermoedde ik niet dat het zo goed zou aanslaan. Er zijn nu duizenden lezers in Nederland, honderden (gerangschikt naar aantallen) in de Verenigde Staten, Duitsland, Rusland, België, India, en tientallen in Frankrijk, Oekraïne, Zuid Afrika, Servië en het Verenigd Koninkrijk, en enkele lezers in (alfabetische volgorde) Antigua, Australië, Brazilië, Canada, China, Costa Rica, Denemarken, Finland, Griekenland,  Indonesië, Italië, Japan, Maleisië, Nieuw Zeeland, Noorwegen, Polen, Singapore, Spanje, Suriname, Taiwan, Thailand, Tsjechië, Turkije, Venezuela, Zuid Korea en Zweden.
Die brede verspreiding is mede te danken aan de 175 in veertig landen over de hele wereld verspreide opleidingen Neerlandistiek!

Nog steeds zijn veel Nederlanders verbaasd als ze horen hoeveel mensen in het buitenland Nederlands kunnen lezen. Gegeven mijn belangstelling voor de Nederlandse cultuur wereldwijd en mijn ervaring met studenten Neerlandistiek in het buitenland, kies ik er bewust voor om in het Nederlands te schijven. Het lijkt wel alsof veel Nederlanders zich voor hun taal schamen en het maar raar vinden als 15.000 buitenlandse studenten momenteel trachten Nederlands te leren.

Er zijn lezers die wel Nederlands lezen maar toch liever in hun eigen taal reageren. Enkele Fries-, Afrikaans- en Engelstalige reacties heb ik al opgenomen omdat die meestal door mijn lezers begrepen worden. Maar ook reacties in Duits, Esperanto, Frans, Italiaans, Noors, Portugees, Russisch en Spaans  kunnen opgestuurd worden. Die zal ik plaatsen en indien nodig kort samengevat vertalen. Leve de veeltaligheid!

Een leuke kant van het bloggen zijn de blogstatistieken. Ik had het al over de landen waar de lezers zitten. Dankzij de statistieken kan ik ook nagaan welke blogberichten het meest bekeken zijn. Het best bekeken zijn mijn actuele commentaren. Verreweg het populairst is mijn blogbericht over de Friese taalvrede. Dat is in iets gewijzigde vorm ook verschenen in de Leeuwarder Courant van 22 maart 2014 en (vertaald in het Fries) in It Fryske blêd Swingel van juni 2014. Zo vullen digitale en geschreven media elkaar aan.

Andere goed bekeken actuele blogberichten zijn die over Sotsji 2014, Handicapé par la francophonieMediamanipulatieVlaanderen & Friesland en "No sex please, we're British!" Opvallend is dat vanuit het lid van de Nederlandse Taalunie Suriname mijn blog wel gelezen is maar niemand gereageerd heeft op mijn eerdere oproep. Over de volgens mij boeiende taaltoestand in Suriname wil ik namelijk een blogbericht schrijven. Wellicht kunnen Surinamers in Nederland of Nederlanders die Suriname goed kennen mij op weg helpen?

Van de voorpublicaties uit mijn memoires (in wording) zijn die over homoseksualiteit het beste bekeken. Daar komen ook veel, positieve reacties op. Het meest gelezen zijn Mijn eerste vriendje, Homojeugd,  Gerard Reve & Antoine Bodar, Leerzaam avontuur en Benno Premsela, een nieuwe vader. De humanistische blogberichten die het meest aangeklikt zijn, Pieter Admiraal (1929-2013) en Piet Thoenes, van Dachau tot Utopia, hebben dat vermoedelijk te danken aan vermeldingen op de website van de Universiteit voor Humanistiek. De meest gelezen voorpublicaties over onderwijs, "Dachautje spelen" en Gered door studentendecaan, zijn vooral binnengekomen via Google.

Dat brengt mij op de zoekopdrachten aan Google die tot mijn blog leiden. Daar zitten veel bij met taalfouten. Dat zou kunnen wijzen op buitenlandse studenten die het Nederlands nog niet goed machtig zijn. Of op het afnemend spelvermogen van Nederlandstaligen. Soms vraag ik mij af of mijn blog wel het juiste antwoord is op de gestelde vraag. Dan denk ik bijvoorbeeld aan: "mijn man is verwijfd zou hij homo zijn?", "wat is er gebeurd met homo imam in overvecht?", "blogs van lesbiennes", "extreem vuile russische porno filmpje", "man baard lezing", en: "herexamen jaren zeventig". Toch echt te hetero voor mijn blog is de zoekopdracht: "haar eerste vriendje." Leg dat maar eens uit aan de zoekmachine van Google...

zaterdag 28 juni 2014

48. Jubeljaar 1971

De drie hoofdlijnen (homoseksualiteit, humanisme en onderwijs) van mijn memoires in wording blijken de lezers van mijn blog te bevallen. Uit de blogstatistieken blijkt dat velen mijn memoires langs deze lijnen lezen. Toch is het de vraag of ik die driedeling in mijn boek uiteindelijk zal handhaven. Want in de volgorde der gebeurtenissen lopen die lijnen vaak door elkaar.

Neem het jaar 1971. Langs alle drie lijnen was dat een zeer geslaagd jaar.  Bovendien blijken ze in dezelfde volgorde dat jaar tot hoogtepunten te leiden. Het ligt daarom voor de hand ze in één blogbericht te behandelen. Drie verschillende lettertypes in één bericht is wel erg overdreven. Omdat mijn afstuderen toch wel de belangrijkste gebeurtenis van dat jaar is, komt dit blogbericht in de hoofdlijn onderwijs te staan. Bovendien speelden studenten in alle drie ontwikkelingen een belangrijke rol. De aanduidingen (blz.) verwijzen naar mijn boek Homoseksualiteit in Nederland.

UTRECHT & AMSTERDAM WINTER/LENTE 1971 

Het COC-congres van 9 en 10 januari 1971 is van enorm groot belang geweest voor de Nederlandse homo/lesbische beweging (blz. 188). Het C.O.C. werd van Nederlandse Vereniging van Homofielen (blz. 173-224) de Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit COC (blz. 225-262). Niet homoseksualiteit was het probleem maar de maatschappelijke veroordeling ervan en die moest worden aangepakt. Het COC moest van schuilkelder een beweging voor maatschappijverandering worden. Niet angstige gevoelsgenoten met schuilnamen moesten het beleid bepalen maar openlijke homo's en lesbo's die gingen samenwerken met bondgenoten en sleutelfiguren om het recht op zelfbeschikking voor iedereen te versterken. Niet verschuilen of afzonderen maar integreren door zichtbaar te worden: dat werd het nieuwe beleid.

Met uitzondering van Scandinavië is deze historische overgang van oude naar nieuwe emancipatiebeweging wereldwijd ten koste gegaan van de continuïteit. De Nederlandse homo/lesbische beweging is de oudste ter wereld en dat is in belangrijke mate de grote verdienste van Benno Premsela. Hij wist als oudere voorzitter de band met de jongeren (meest maar niet uitsluitend studenten) in stand te houden. Dat werd hem door een aantal ouderen, waaronder Gerard Reve, niet in dank afgenomen maar hun vertrek uit het COC schaadde de verjonging in de beweging niet, integendeel. De groep Nieuw Lila speelde daarbij een belangrijke rol (blz. 188). De strategie van zelforganisatie en van samenwerking met sleutelfiguren en bondgenoten leidde op 12 mei 1971 na zestig jaar van discriminatie tot afschaffing van het 'chantage-artikel' 248-bis (blz. 178).

UTRECHT ZOMER 1971

Dankzij de hoogleraren Piet Thoenes en  Jaap van Praag leerde ik de humanistische beweging snel kennen. Mij vielen overeenkomsten op tussen drie organisaties waarvan ik lid was geworden: COC, Humanistisch Verbond en Partij van de Arbeid. Alle drie waren opgericht in mijn geboortejaar 1946. En alle drie worstelden met de jongeren uit de naoorlogse geboortegolf. Bij het COC en de PvdA leidde dat tot een verjonging via Nieuw Lila en Nieuw Links mede dankzij de inspirerende rol van voorzitter Benno Premsela en partijleider Joop den Uyl. Bij het HV was het de achtereenvolgende voorzitters Jaap van Praag en Max Rood niet gelukt om de beweging van humanistische (meest studerende) jongeren binnenboord te houden. Toen ik actief werd in de humanistische beweging waren die jongeren net met slaande deuren vertrokken. De Wageningse hoogleraar in de sociologie Gerrit Kooy meende zelfs dat het Humanistisch Verbond door vergrijzing binnenkort zou uitsterven. Zie het boek over en van Piet Spigt dat dit najaar verschijnt in de Humanistische Reeks.

Als jonge homo was ik blij met de voor die tijd progressieve opvattingen van het HV over homoseksualiteit (blz. 181-2, 228-9, 236, 247-8, 265). Ik acht(te) het toen (en nu) van groot strategisch belang om de toekomst van deze levensbeschouwelijke bondgenoot van de homo/lesbische beweging veilig te stellen (blz. 282). Daarvoor is een humanistische ambtsopleiding heel belangrijk, zoals ik in mijn afstudeeronderzoek constateerde. Daarom was ik heel verheugd dat ik in 1971 werd gepolst of ik Piet Thoenes wilde opvolgen als docent aan het Humanistisch Opleidingsinstituut (HOI). Het motiveerde mij om me in te gaan zetten voor de verjonging van de humanistische beweging, eerst in Nederland en later wereldwijd.

UTRECHT NAJAAR 1971

Als student-assistent van de Utrechtse hoogleraar sociologie Piet Thoenes leerde ik het vak snel kennen. Van het meewerken aan internationaal sociologisch onderzoek voor UNESCO en de Raad van Europa tot het assisteren bij het schrijven van een oratie en bij het geven van colleges. In die tijd werden hoogleraren (laat staan student-assistenten) niet opgeleid voor het geven van colleges. Omdat Piet Thoenes plotseling verhinderd was, moest ik in 1971 invallen om voor honderden eerstejaars studenten een college te geven over de liberale Duits-Britse socioloog Ralf Dahrendorf

In die dagen heerste een marxistische mode aan veel universiteiten. Aandacht besteden aan 'klassenvijanden' zoals liberale sociologen dat was als vloeken in de kerk. Gelukkig had ik van de wetenschapsfilosoof Karl Popper al The Open Society and its Enemies  gelezen. Ik was inhoudelijk dus voldoende voorbereid op een aanval door honderden marxistische gelovigen. Maar dat is nog iets anders dan didactisch zo te handelen dat gelovigen aan hun zekerheden beginnen te twijfelen.

Het is klassiek dat de grootste tegenstanders zich achterin verschansen. In dit geval zaten tientallen studenten er kranten te lezen, waaronder het communistische partijblad De Waarheid. Het stomste wat je dan kunt doen, is te vragen of ze willen ophouden met kranten te lezen. Macht uitoefenen in je eentje tegenover honderden vijandige studenten bevestigt hen alleen maar in hun vijandigheid. Het is van het grootste belang om hun belangstelling te wekken of nog beter om de indruk te wekken dat zij er welbegrepen eigenbelang bij hebben om goed op te letten.

Dus ik vroeg aan de krantenlezers belangstellend of er nog iets belangrijks in de kranten stond. Onvoorbereid op die vraag krijg je meestal onduidelijk gemompel. Dan sla je toe. In die tijd speelde de communistische partij CPN een kwalijke rol door de afschaffing van het homodiscriminerend artikel 248-bis niet te steunen (blz. 182, 213, 229). Dat was hun Achilleshiel. Ik vroeg of daar nog iets over in stond. Dan heb je de volle aandacht. Als je langs de neus weg homoseksualiteit losjes aan de orde stelt dan let de hele zaal op. Binnen de kortste keren moesten de meeste studenten toegeven dat als het om mensenrechten ging men op sommige gebieden toch iets meer had aan liberalen als Dahrendorf dan aan Oost-Europese communisten. Sindsdien begin ik al mijn colleges en toespraken met een vraag aan de achterste rijen, snijd ik een actualiteit aan die het gehoor belangrijk vindt en noem ik homoseksualiteit tussen neus en lippen door in een rijtje waarin ook het luisterend publiek voorkomt.

Op 15 oktober 1971 studeerde ik in Utrecht af in de Sociaal Culturele Wetenschappen met als hoofdvak Sociologie en als bijvakken Theoretische sociologie en Sociologisch onderzoek. Op 1 november 1971 werd mijn studentassistentschap aan de toenmalige Rijksuniversiteit omgezet in een aanstelling als wetenschappelijk medewerker. In die tijd was het zo dat men de studentenflat meteen moest verlaten en zo verhuisde ik van een piepklein kamertje in een flatje aan de Ina Boudier Bakkerlaan naar een veel te grote vijfkamerflat aan de Androsdreef omdat ik met mijn inkomen in de huursector niet in aanmerking kwam voor sociale woningbouw. In al die lege ruimte had ik aanvankelijk geen stoel om op zitten. Van mijn toenmalige partner John kreeg ik een bankstel dat zo lelijk was dat ik de meubels kantelde zodat ik op op de leuning zat en tegen de zitting leunde. Kort daarna werd de relatie met wederzijdse instemming beëindigd. Waar lelijke meubels al niet goed voor zijn!



Zie voor het vervolg blogbericht 50: Aan de dood ontsnapt...

zaterdag 21 juni 2014

47. Leerzaam avontuur

Omdat er wereldwijd steeds meer nieuwe lezers bijkomen, is het nuttig om af en toe even te melden dat ik in mijn blog voorpublicaties plaats uit mijn memoires in wording. Dat doe ik aan de hand van drie hoofdlijnen: homoseksualiteit, humanisme en onderwijs. Wat mijn homoseksualiteit betreft, begon ik met blogbericht 28: Homojeugd, gevolgd door 32: Mijn eerste vriendje37: Rampenzomer 196740: Benno Premsela, een nieuwe vader en 45: Gerard Reve & Antoine Bodar. Nu: een leerzaam avontuur.

UTRECHT & EINDHOVEN 1969-1971

Tijdens mijn wilde jaren leerde ik iemand kennen die mijn leven op een aantal punten beïnvloed heeft: de redacteur van Vrij Nederland Jan Rogier. Hij en zijn levenspartner Pieter hadden een open relatie en zo kwam het dat Jan en ik een weekje doorbrachten in het tweede huisje van de ons bevriende Bas en Cees in het Friese Klooster-Lidlum. Een oude boer uit de buurt hield (zoals gebruikelijk met veel tweede huisjes) een oogje in het zeil. Het was begin 1969 ijzig koud maar samen in de bedstee was het genoeglijk warm. De eerste ochtend stond plotseling een man in het huisje. Ik schrok mij wild en mijn schokkende ervaring met de ontzette moeder van mijn eerste vriendje uit de rampenzomer 1967 speelde op. Maar de oude Friese boer straalde een en al rust uit en zei: "Goemoarn. It's ja glûpende kâld. Tegearre yn't bedstee is't goed út te hâlden!" Deze eerste kennismaking met de beroemde Friese nuchterheid smaakte naar meer.


Jan Rogier vertelde mij over de gesprekken die hij had gevoerd met homomannen die in de Tweede Wereldoorlog waren vervolgd maar daar na de oorlog niet mee naar buiten dorsten te komen. Over de spoorloos verdwenen archieven van de advocate Lau Mazirel die veel slachtoffers had bijgestaan. Over de onwil van Loe de Jong om dit verzwegen hoofdstuk uit de vervolgingsgeschiedenis aan de orde te stellen. Dit was voor mij een belangrijke drijfveer om te beginnen aan de geschiedschrijving van homovervolging en -bevrijding, het onderwerp van mijn proefschrift in 1982.

Jan Rogier was er trots op dat hij er voor gezorgd had dat Vrij Nederland als een van de weinige bladen homocontactadvertenties plaatste. Op de bekende ontmoetingsplaatsen voor homomannen leerde ik geen mannen kennen die een duurzame partner zochten. En de meeste mannen die ik tegenkwam die wel een duurzame relatie wilden die hadden er vaak al een. In die hopeloze zoektocht naar een onbekende speld in een ongrijpbare homoseksuele hooiberg kon de contactadvertentie een oplossing zijn. Hij had wel een paar raadgevingen: verwacht er niet te veel van, schrijf geen ellenlange verhalen over jezelf, plaats zelf een advertentie en reageer niet op een advertentie van een ander want in die tijd kon je nog ontslagen worden als bekend werd dat je homo was en er lagen vaak chanteurs op de loer, zoals nu in Rusland.

Het is in deze tijden van internet en mobiele netwerken niet meer voor te stellen maar homocontactadvertenties waren in die tijd een heel gedoe, meestal met schuilnamen, anonieme postbussen en geheime ontmoetingsplaatsen als was het spionage. De oogst van mijn eerste contactadvertentie was mager. Inderdaad veel ellenlange overwegend wanhopige verhalen, gedoe met schuilnamen en anonieme postbussen. Maar er sprong er één uit. John uit Eindhoven was vijftien jaar ouder dan ik, hij was manager bij een goed bekend staand bedrijf in Brabant en hij straalde een zelfverzekerdheid uit die ik nog weinig was tegengekomen.

Achteraf gezien hadden er alarmbellen moeten gaan rinkelen maar ik was op dit gebied nog zo groen als gras. Ik kreeg een tweedehands Volvo Amazon van hem. Dat kwam goed uit want Eindhoven was niet naast de deur vanuit Utrecht en ik reed veel heen en weer. Maar ik zei meteen dat ik hem op afbetaling wilde kopen, wat ik ook gedaan heb. Verder wilde hij mij als een kerstboom optuigen met allerlei kostbare sieraden, wat ik weigerde want daar houd ik al helemaal niet van. Hij betaalde allerlei reisjes voor mij, zoals in de winter van 1970 naar Praag. Ik had nog nooit gevlogen en de rammelende Tupolev werd door de bliksem getroffen en maakte een noodlanding bij Karlovy Vary (het vroegere Karlsbad). Dat leverde mij een vliegangst op die ik maar mondjesmaat ben kwijtgeraakt.

Maar er was een veel belangrijkere reden waarom het fout ging: zijn tomeloze jaloezie. Er hoefde maar een man naar me te kijken of er was ruzie. En de ouderlijke ruzies uit mijn jeugd maakten dat ik daar niet tegen kon. Ik maakte het dus eind 1971 uit, zeer tot het verdriet van mijn moeder die als een blok voor de charmeur gevallen was. Als tegemoetkoming mocht zij voor de teckel zorgen die hij mij geschonken had. Omdat ik weinig thuis was, bleek dat een onverantwoord geschenk. Maar mijn moeder was zeer gelukkig met deze zenuwlijder en zij begon zelfs een verzameling van alle mogelijke soorten namaakteckels aan te leggen. Daaraan heb ik nog zes teckelmessenleggers overgehouden als aandenken aan een leerzaam avontuur. Zo was ik weer alleen. Wat wijzer geworden over mijn ongeschiktheid voor monogame relaties met jaloerse mannen. Maar met (zoals de tekst op het Homomonument luidt) "naar vriendschap zulk een mateloos verlangen". Tot ik begin 1972 in Vrij Nederland een contactadvertentie zag die mijn leven geheel zou wijzigen!  



Zie voor het vervolg blogbericht 48: Jubeljaar 1971.