zaterdag 7 juni 2014

45. Gerard Reve & Antoine Bodar

Ik ben nu enige maanden bezig met het plaatsen van voorpublicaties uit mijn memoires in wording. Ik begon (wat mijn homoseksualiteit betreft) met blogbericht 28: Homojeugd, gevolgd door 32: Mijn eerste vriendje37: Rampenzomer 1967 en 40: Benno Premsela, een nieuwe vader. We zijn nu aanbeland aan het einde van de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig. De tijden van de zogenaamde 'seksuele revolutie'. Voor de homo/lesbische beweging was dat een uiterst belangrijke doorbraak naar emancipatie. Die ontwikkeling heb ik beschreven in mijn proefschrift "Homoseksualiteit in Nederland; studie van een emancipatiebeweging", Amsterdam, 1982. In mijn memoires maak ik daar dankbaar gebruik van. Ik vermeld dat maar even want voor je het weet, word je beschuldigd van (het mijns inziens niet bestaande) 'zelfplagiaat'. De onderstaande aanduidingen (blz.) verwijzen naar mijn proefschrift.

Ook in mijn persoonlijk leven waren dat wilde tijden. Als net uitgekomen homo had ik behoefte om mijn eigen seksuele identiteit te verkennen en te ontwikkelen. Voor een schrijver van memoires raak ik hier een gevoelig punt. In hoeverre kan mijn openhartigheid de persoonlijke levenssfeer van anderen schaden? In hoeverre is het belangrijk voor de beschrijving van mijn verdere levensloop te vermelden wie het met wie gedaan heeft? Vooralsnog ben ik geneigd daar terughoudend in te zijn. In het kader van mijn memoires vind ik het belangrijker om te beschrijven welke mensen mij beïnvloed hebben dan op te sommen welke bedden ik gedeeld heb. Het leuke van voorpublicaties per blog is dat ik de lezers kan vragen of zij het met mij eens zijn. Onderbouwde overwegingen ontvang ik graag middels robtielman46@gmail.com.


UTRECHT & AMSTERDAM 1968-1970

Gesteund door het voorbeeld van Benno Premsela werd ik zo snel mogelijk lid van het COC-bestuur van de afdeling Utrecht. Daar werd ik contactpersoon met de Utrechtse officier van justitie mr. Overbeek. Hij was landelijk bekend geworden door de Baarnse moordzaak (1960-1963). Rijkeluiszoontjes hadden op gruwelijke wijze een jongen van eenvoudige komaf vermoord. Overbeek vermoedde dat verdrongen homoseksualiteit daarbij een rol had gespeeld. Hij vond het daarom belangrijk dat er een opvang kwam voor jonge homo's onder de 21 jaar. Die konden door het COC niet worden opgevangen omdat artikel 248-bis dat strafbaar stelde. Mij leek het beter om die opvang niet vanuit het COC op te zetten vanwege de vooroordelen over ouderen die jongeren zouden verleiden. Omdat ik inmiddels voorzitter was geworden van de Utrechtse Studenten Werkgroep Homoseksualiteit (USWH) leek mij het beter om van daaruit een initiatief te nemen tot oprichting van een jongerengroep. Overbeek leek dat een goed idee en hij zou dat gedogen. Daaruit is uiteindelijk PANN ontstaan dat nog altijd bestaat en een belangrijke rol speelt bij het uit de kast komen van homo/lesbische jongeren.

Overbeek wilde ook met het Utrechtse COC afspraken maken om het anti-homogeweld tegen te gaan. Dat vond toen vooral plaats op het in de binnenstad gelegen Janskerkhof en was moeilijk te bestrijden omdat de meeste slachtoffers geen aangifte dorsten te doen aangezien zij heel vaak een dubbelleven leidden. Afgesproken werd om te trachten een veiligere ontmoetingsplaats te bevorderen in het park rond de Sterrenwacht. Bij de Utrechtse politie en COC werden contactpersonen aangewezen die ervoor zorgden dat aangiften van anti-homogeweld vertrouwelijk werden doorgegeven. De oud-voorzitter van COC-Utrecht Jacques Drabbe heeft daarbij een verdienstelijke rol gespeeld. Door deze bestuurservaringen werd ik mij bewust van het grote belang van zelforganisatie, van sleutelfiguren en van bondgenoten voor de homo/lesbische emancipatiebeweging.

Vanuit de USWH en de andere studentenwerkgroepen in de meeste universiteitssteden werd op 30 maart 1968 de Federatie Studenten Werkgroepen Homoseksualiteit (FSWH) opgericht. In de spanning tussen enerzijds assimilatie en anderzijds segregatie koos de FSWH voor integratie door confrontatie. De homo/lesbische minderheid moest zich niet verbergen of afzonderen maar door openlijk uit te komen voor homoseksualiteit de maatschappelijke onderdrukking tegengaan. Dat betekende ook dat het COC minder een schuilkelder en meer een maatschappijveranderende beweging moest worden. 

Daartoe werd mede door mij Nieuw Lila opgericht dat in 1969 de brochure "Afscheid van een moederbinding" publiceerde (blz.182). Wij wilden dat de homo/lesbische beweging "geen aandacht meer heeft voor het praten over ontstaanstheorieën, en wel voor de maatschappelijke oorzaken van de onderdrukking van homoseksuele gevoelens" (blz.216). Niet homoseksualiteit is een probleem maar de maatschappelijke veroordeling ervan. Zelf maakte ik in die tijd graag een vergelijking met de negentiende-eeuwse onderdrukking van linkshandigheid in het onderwijs (blz.29).

De opkomst van deze homo/lesbische studentenbeweging bewijst de historische wetmatigheid dat "juist de groep die er het gunstigst voorstaat, het eerst in opstand komt" (blz.214). De Nederlandse homobeweging kwam op in een homovijandige en verzuilde omgeving en kreeg door de zelforganisatie te maken met een paradox: "de sociale structuur van de verzuiling heeft mede de middelen verschaft waarmee het COC als gesprekspartner in geestelijke gezondheid en maatschappelijke dienstverlening is aanvaard" (blz.214). Het homo/lesbische 'zuiltje' kon makkelijker in de Nederlandse verzuiling worden ingepast dan de verbrokkelde homo/lesbische groepjes in veel onverzuilde andere landen. 

En er was nog een paradox: die van de "vrijheidsbevorderende weerstanden" (blz.212). "Het anti-homoseksuele deel van de bevolking houdt de emancipatiebeweging wakker" (blz.219). Het is net als met opvoeden. Kinderen vrij laten, maakt ze niet vrij. Zij worden juist vrij door ze te leren omgaan met vrijheidsbevorderende regels. Sterker nog: het letterlijke bestaan van Nederland is door de strijd tegen het water een voorbeeld van vrijheidsbevorderende weerstand. Ik heb dat voor buitenlanders uitgelegd met behulp van het Amerikaanse misverstand rond de dijkvinger van Hans Brinker.

Dankzij zelforganisatie, sleutelfiguren en bondgenoten was de Nederlandse homo/lesbische emancipatiebeweging er in geslaagd om de afschaffing van het discriminerende artikel 248-bis op de politieke agenda te krijgen. Het was van strategisch belang dat niet het COC maar de homo/lesbische jongeren zelf op 21 januari 1969 de eerste homodemonstratie in Nederland organiseerden op het Binnenhof in Den Haag (blz.177). Omdat de christelijke partijen inmiddels geen meerderheid meer hadden in de Tweede en Eerste Kamer lukte het om het 'chantage-artikel' op 12 mei 1971 afgeschaft te krijgen na zestig jaar onnoemelijk veel leed veroorzaakt te hebben waaraan ik zelf ternauwernood was ontsnapt in de rampenzomer van 1967 ...

In de beginjaren van mijn homoseksuele loopbaan voelde ik mij vooral tot oudere, 'mannelijke' mannen aangetrokken. Vooral de strijdbare, openlijk homoseksuele schrijver Gerard Reve maakte een grote indruk op mij. Het Ezelproces (1966-1968) wegens vermeende godslastering (blz.221-223) speelde juist in de tijd dat ik mij van mijn eigen homoseksualiteit bewust werd. Zoals Bert Boelaars terecht uiteenzette in de Humanist (2006, 5, blz.12-17) zit er onder Reve's geflirt met het katholicisme een humanistische ondertoon in zijn werk en dat sprak mij aan. Omdat ik in die tijd nog geen rijbewijs, laat staan een auto had, wilde ik mij niet naar het toen voor mij zonder overnachting onbereikbare Friese Greonterp (speek uit Kreunterp) begeven. Een ontmoeting op neutraal terrein leek mij te verkiezen omdat ik (Reve's werk kennende) de regie van het treffen graag in eigen hand hield. Dankzij het informele netwerk van homostudenten had ik Antoine Bodar leren kennen die zich in een homoseksueel actieve periode bevond. Hij kende Reve en kon dankzij hem in 1970 diens voormalige woning aan de Plantage Kerklaan in Amsterdam betrekken. En zo ontmoette ik Reve tijdens het inwijdingsfeest van de woning waarvoor ik door Antoine was uitgenodigd.

Ik had mij Reve veel groter voorgesteld. Hij had niets van de uitstraling die ik in Benno Premsela zo bewonderde. Het leek wel alsof hij zich door mij geïntimideerd voelde. Toen ik januari 1971 lid werd van het hoofdbestuur van het COC zegde hij zijn lidmaatschap op omdat het COC door "communisten" zou zijn overgenomen. Het was kortom voor mij een afknapper. Ik trof in mijn ogen geen strijdbare maar een bangige man.

Mijn zoektocht naar sterke mannen ging verder. In bars, disco's en sociëteiten kwam ik ze niet tegen. Met mijn geheelonthoudende en niet-rokende achtergrond voelde ik mij in die naar bier stinkende rookholen ook niet thuis. Op spannende seksfeestjes in de patiowoning van Kuno en Han in Weesp vond ik interessantere mannen maar die bleken allemaal al een vaste relatie te hebben. In mijn autoloze tijdperk 'miste' ik regelmatig de laatste trein van Amsterdam naar Utrecht en bleef daar bij vrienden(paren) logeren. Zij leerden mij veel: van open homorelaties, homogeschiedenis, mode, woninginrichting tot koken aan toe. Ik was in die jaren meer in riante Amsterdamse woningen dan in mijn eigen piepkleine studentenkamertje aan de Ina Boudier-Bakkerlaan in Utrecht. Tot ik de voor homo's in die tijd nog nauwelijks bestaande contactadvertenties ontdekte. Daarover een volgende keer meer!



En die volgende keer is blogbericht 47: Leerzaam avontuur.
Naschrift: Mijn memoires "Humanisme als zelfbeschikking, levensherinneringen van een homohumanist" zijn november 2016 uitgegeven bij de Papieren Tijger Breda.


Medelid van Nieuw Lila, Rijkjan Sikkel, zou "de geheime zoon van Gerard Reve" zijn: luister naar het gesprek met hem door de VPRO.


Een volger die mij goed kent schrijft: "Ik denk ook niet dat je al je bedpartners moet vermelden. dan wordt het wel een hele dikke biografie ;-) Zonder gekheid, ik denk dat je daarmee de rest onderuit haalt, het wordt dan meer een soort Privé. Ik vind het overigens erg leuk om zo stap voor stap een stukje van je bio te lezen. Ga door!"
Een Reviaan schrijft: "Kreunterp, die kende ik nog niet. Het is wederom niet onopgemerkt gebleven, zeg ik dan maar. 
Wat leuk ook hoe je Bodar opvoert 'die zich in een homoseksueel actieve periode bevond'. En laatst de burgemeester van Hilversum, die nog een mooie veeg uit de pan meekreeg. Kijk, dat is smullen voor de lezertjes. Ik kijk uit naar volgende afleveringen!"
Vaste lezer Menno Nicolai schrijft: "Ja, ik deel je gevoel dat terughoudendheid bij het beschrijven van je erotische escapades de voorkeur verdient, althans voor wat betreft het noemen van namen. De heren die je destijds wist te verleiden konden in redelijkheid niet verwachten dat je 40 jaar later een bekende persoonlijkheid zou zijn en al helemaal niet dat je een boek zou schrijven over (onder veel meer) je wilde jaren. Dat neemt overigens niet weg dat ook kortdurende relaties invloed gehad kunnen hebben op je denken en doen en dan is vermelding daarvan in een autobiografie wel degelijk van belang. Het noemen van namen lijkt me echter ook in zo'n geval niet gewenst."
Een vaste lezer uit Amsterdam die in juni 2014 bij zijn vriend in Boston verblijft en met hem naar de Gay Parade is gegaan : "Ik heb genoten van je column, zoals altijd. Ik had mijn " coming out" in 1974 ongeveer, ik moest daar gister aan denken toen ik die hele parade voorbij zag komen met jonge homo's en me realiseerde dat ik nu bij de oudere generatie hoor. Er is zoveel vooruitgang geboekt! Maar de geschiedenis van wat er aan voor af ging is voor mij heel interessant, want daar weet ik nauwelijks iets van af.
Wat de onthullingen uit jouw wilde jaren betreft; ach, ik hou wel van een paar flinke roddels :-). In mijn jonge jaren heb ik veel Reve gelezen en ik moest er vaak waanzinnig om lachen, maar ik heb hem nooit een voorbeeld gevonden voor homo-emancipatie, daar was die man veel te verknipt voor. Antoine Bodar? Dat is toch die zalvende katholieke priester?...raar, die man lijkt een hele homo onvriendelijke manier van denken te hebben."
 


  

zaterdag 31 mei 2014

44. Mediamanipulatie

Dankzij de Europese verkiezingen van 22 tot 25 mei 2014 hebben we weer vele voorbeelden van mediamanipulatie kunnen zien. Het begon al op donderdag 22 mei toen duidelijk werd dat D66 het goed had gedaan. Bij de officiële uitslag zondag bleek van alle kandidaten de lijsttrekker Sophie in 't Veld verreweg de meeste stemmen te hebben behaald: 565.348. Maar bij de NOS kreeg donderdagavond niet zij maar de naast haar staande partijgenoot de heer Pechtold het woord. Met dit sterke staaltje seksediscriminatie kunnen we weer zien hoe de Nederlandse emancipatievlag er bij hangt.

Om familieredenen bracht ik het weekeinde in Engeland door. Ik verheugde mij op de verslaglegging van de Europese verkiezingen door de BBC. Die wordt ons altijd als lichtend voorbeeld voorgehouden door de tegenstanders van de verzuilde Nederlandse publieke omroep. Dat werd een zware tegenvaller. De BBC (en de Engelse kranten die ik las) vielen in dezelfde valkuilen waarin de Nederlandse media jaren geleden terecht kwamen toen hier een anti-partij vanuit het niets "de verkiezingen won." Het is precies die gangbare uitdrukking die ik als eerste voorbeeld van drie vormen van misleidende beïnvloeding wil bespreken.

1. "Wij hebben de verkiezingen gewonnen!"
In een democratie worden verkiezingen gewonnen als een partij de meerderheid haalt. Dat is in Nederland, ik zou haast zeggen: godzijdank, nog nooit gebeurd. Omdat mijn blog door veel buitenlanders wordt gelezen, moet ik dat even uitleggen. Daarvoor verwijs ik naar blogbericht 16: Hans Brinker and a finger in a leaking dike.

Een partij die geen meerderheid haalt, kan alleen maar regeren als een of meer andere partijen bereid zijn om een regering aan een meerderheid te helpen. Lukt dat niet dan heeft het Nederlands hier een prachtig woord voor: overwinningsnederlaag. (De Dikke Van Dale geeft een onjuiste omschrijving: tegenvallende verkiezingsuitslag. Dat moet zijn: een partij met de meeste gewonnen stemmen komt toch niet aan de macht.)

2. "De wil van het volk moet worden gevolgd!"
Deze opvatting is verwant aan twee andere misvattingen. De eerste is dat democratie de dictatuur van de meerderheid zou zijn. De tweede is dat de kiezer altijd gelijk zou hebben. Dat dit niet klopt, leg ik uit in blogbericht 34: Vijf misverstanden over democratie. Als een anti-partij pakweg 25% van de stemmen haalt dan betekent dat nog altijd dat een grote meerderheid niet op die partij heeft gestemd. Wie de BBC volgde het afgelopen weekeinde zou de indruk krijgen dat Labour verloren had terwijl ze gewonnen hadden. Uit angst voor "het volk" werd de leider van de Britse anti-partij met fluwelen handschoentjes benaderd en werd de woordvoerder van Labour ongeveer als een leugenaar neergezet toen hij wees op het feit dat zijn partij wel degelijk stemmen gewonnen had.

Dat heulen met het populisme werd in Nederland berucht toen PvdA-leider Job Cohen op de pijnbank werd gelegd door Twan Huys van Nieuwsuur omdat hij de prijs van een of ander soort brood niet wist. Een vergelijkbaar geneuzel was er in de Britse media over het feit dat Labour leider Ed Miliband moeite had met het verorberen van een sandwich. Om met Fokke & Sukke te spreken in de NRC van 23 mei 2014, ze "hebben het nou wel weer gehad met Europa, terug naar de binnenlandse poltiek: is Rutte gay?"

3. "Het volk eist het aftreden!"
Ook opvallend was de overeenkomst tussen de Nederlandse en Britse journalisten die zonder enig verstand van Europese zaken het aftreden eisten, niet van de Europese lijsttrekkers die hadden verloren maar van de nationale partijleiders. Daarbij werd gemakshalve net gedaan alsof de uitslagen van Europese verkiezingen één op één konden worden vertaald naar uitslagen van nog te houden nationale verkiezingen. Dat is niet alleen onzin omdat het over andere onderwerpen gaat maar ook omdat er grote verschillen zijn in opkomst waardoor die conclusies zeer voorbarig zijn. Een verwante fout is het om aan te nemen dat alle niet-stemmers aan een bepaalde opvatting zijn toe te schrijven.

Bij de BBC was het zeer opvallend dat continentaal Europa samenviel met Frankrijk en er geen aandacht was voor de tientallen andere lidstaten. En dan dat zeer verwerpelijke nasynchroniseren in plaats van het ondertitelen waardoor niet te controleren was welke vertaalfouten er gemaakt werden. Het gevolg was dat de arme BBC-kijkers de indruk kregen dat het Europees Parlement door de verkiezingen overhoop gegooid werd terwijl in feite de machtsverhoudingen tussen christen-, sociaal- en liberaal-democraten nauwelijks gewijzigd zijn. Dan mogen wij ons toch gelukkig prijzen met onze pluriforme en meertalige publieke omroep!

Mea culpa
Mijn vaste lezers weten dat ik het schrijven voor dit blog combineer met het schrijven van mijn memoires. Dat blijkt een nuttige manier te zijn om te zien hoe lezers op mijn eerste concept-teksten reageren. Hoewel ik met mijn memoires nog pas gevorderd ben tot eind jaren zestig, maak ik nu toch een klein uitstapje naar de tijd dat ik voorzitter was van het Humanistisch Verbond (1977-1987). Want waarom ben ik zo thuis in mediamanipulatie? Omdat ik mij daar zelf ook schuldig aan heb gemaakt.

Midden jaren zeventig ergerde ik mij aan het feit dat aan iedere wind die de paus liet, aandacht werd besteed door (meestal katholieke) journalisten. Daarom zocht en vond ik een humanistische journalist die dicht bij een telex werkte. In die dagen liep het nieuws via telexen en dat maakte mediamanipulatie makkelijker dan vandaag de dag waar dankzij internet en sociale media het nieuws transparanter wordt verspreid. Zodra er een bericht was over de paus dan werd ik gebeld om daar commentaar op te geven dat meteen op de telex werd gezet. Uit de archieven blijkt dat het Humanistisch Verbond nog nooit zoveel media-aandacht heeft gekregen als in de jaren zeventig en tachtig.

Zoals de Engelsen zeggen: "You need one to see one." Ofwel: een ingewijde ziet meer. Uit eigen ervaring weet ik dus hoe makkelijk het was (en tot op zekere hoogte nog steeds is) om aan manipulatie van en door de media te doen. Een gewaarschuwd mens telt voor twee!


De volgende media-onderwerpen gaan over de mediawet van schijnbare achteruitgang en mediamissers.


P.S. Deze week, op dinsdag 3 juni 2014, komt een einde aan de weigerambtenaar in Nederland.

Mijn memoires "Humanisme als zelfbeschikking, levensherinneringen van een homohumanist" zijn november 2016 uitgegeven bij de Papieren Tijger Breda.

vrijdag 23 mei 2014

43. Europese Unie, voors en tegens

Op donderdag 22 mei 2014 heeft Nederland gestemd voor de 26 Nederlandse zetels in het Europees Parlement, dat 751 leden telt. De Nederlandse vertegenwoordiging is de achtste in grootte. Onder de 28 lidstaten is Nederland dus klein onder de grote landen en groot onder de kleine.
De uitslagen van deze verkiezingen worden pas bekend gemaakt na zondag 25 mei als in alle 28 lidstaten gestemd is. Nu alvast een paar kanttekeningen bij veel voorkomende vooroordelen over de Europese Unie

1. "De Europese Unie dreigt een superstaat te worden."
China telt 1,3 miljard inwoners, India 1 miljard, de EU 500 miljoen, de VS 300 miljoen en Rusland 140 miljoen. De EU heeft in de wereld 3% van de landoppervlakte, 7% van de wereldbevolking en is met 30% de grootste wereldeconomie. Van het bruto binnenlands product (bbp) gaat in de EU lidstaten gemiddeld 47% naar de overheid (in Nederland is dat 45,5%) en de Europese Unie kost 1% van het bbp. In de VS kost de federatie 30% van het bbp. Van het geld dat de EU ontvangt, gaat 94% terug naar projecten in de lidstaten en gaat 6% naar gebouwen, salarissen en pensioenen. De EU heeft 40.000 personeelsleden, dat is in veel landen de omvang van één ministerie. Kortom: de EU is spotgoedkoop en heeft het geld niet om een superstaat te worden.

2. "Nederlanders betalen veel meer aan de EU dan zij terugkrijgen."
Het EU-lidmaatschap kost per Nederlander € 200,- per jaar. De handel met de EU levert per Nederlander € 1500,- tot € 2000,- per jaar op. Onze uitvoer is voor 80% naar EU-landen. Wie teveel op de centen let, loopt een veelvoud aan euro's mis.

3. "De EU is niet democratisch."
De macht van het rechtstreeks gekozen Europees Parlement is de laatste jaren enorm gegroeid. Wie een democratischer EU wil en daarom niet gaat stemmen, handelt in strijd met de eigen opvattingen.  De Europese raden van regeringsleiders en ministers beslissen mee maar die zijn op hun beurt gekozen door kiezers in de lidstaten. Op die manier wordt voorkomen dat de Europese democratie een dictatuur van een parlementaire meerderheid wordt want minderheden hebben zo veel invloed.

4. "Kleine landen tellen in de EU niet mee."
Integendeel, de grotere landen hebben in verhouding veel minder zetels dan de kleinere. Alle landen hebben ongeacht grootte evenveel zetels in het dagelijks bestuur (de Europese Commissie) en in de raden van regeringsleiders en ministers.

5. "De EU bemoeit zich met belachelijke dingen als kromme bananen."
Met name in de Britse media wordt veel onzin verteld over de Europese Unie. Veel politici in de lidstaten schrijven de successen van de EU aan henzelf toe en de mislukkingen aan de EU. Door het ontbreken van echt Europese media wordt het verdraaien van feiten helaas niet opgemerkt en verbeterd. Ook de Nederlandse publieke omroep faalt op dit punt: naast de vaste politieke mediarubriek Den Haag Vandaag ontbreekt Brussel Vandaag.

6. "De EU is een bedreiging voor homo/lesbische rechten."
Uit het ILGA-Europa rapport 2014 blijkt dat Nederland vierde in Europa is als het gaat om homo/lesbische gelijkberechtiging. De Nederlandse minister Bussemaker zet zich goed in om achterstanden in Europa weg te werken. In de praktijk blijkt de EU een belangrijke steunpilaar voor de homo/lesbische emancipatie. Dankzij de mensenrechtenverdragen in Europa zou zelfs een kwaadwillende meerderheid in het Europese Parlement die klok niet kunnen terugdraaien.

7. "De EU trekt de godsdiensten voor."
In de Europese verdragen is de gelijkberechtiging van godsdiensten en humanisme goed geregeld. In de praktijk hangt het van de voorzitter van de Europese Commissie af of die verdragen ook worden nageleefd. Ik heb van 1991 tot 1999 als vicevoorzitter van de European Humanist Federation meegemaakt dat de Franse protestant Jacques Delors tussen 1985 en 1995 hier veel aan gedaan heeft maar dat daarna regelmatig getracht werd om de godsdiensten voor te trekken. Het is daarom goed dat de humanistische beweging ook op dit punt alert is.

De oprichters van de Europese eenwording wilden na de Tweede Wereldoorlog een einde maken aan eeuwen van oorlogen tussen Europese landen. Het goede nieuws is dat dit in de EU gelukt is. Het slechte nieuws is dat veel Europeanen dit zo vanzelfsprekend zijn gaan vinden dat zij het gevaar van nieuwe oorlogen onderschatten. Hopelijk leidt het gestook van Poetin er toe dat veel Europeanen wakker geschud worden. Daarover volgende week meer!



Kritiek op het homo/lesbisch beleid van de Europese Commissie inzake de homovijandige wetgeving in Litouwen.

Mijn memoires "Humanisme als zelfbeschikking, levensherinneringen van een homohumanist" zijn november 2016 uitgegeven bij de Papieren Tijger Breda.

zaterdag 17 mei 2014

42. De "baard van Europa"

De vrouw met een baard bleek een bebaarde man met een jurk aan. Het onderwerp van mijn Tresoar-lezing, "Identiteit als keuze", gehouden op vrijdag 13 mei 2011, werd ineens heel actueel door het Eurovisie Songfestival van zaterdag 10 mei 2014. Met dank aan de Oostenrijker Tom Neuwirth, optredend als Conchita Wurst. Inderdaad: worst zoals in de uitdrukking het zal mij worst zijn. In de discussie rond de "baard van Europa" werden een aantal misverstanden zichtbaar die ik hieronder zal trachten op te helderen. Juist vandaag, 17 mei 2014, omdat het IDAHOT is: de internationale dag tegen homo- en transhaat.

1. Is travestie hetzelfde als homoseksualiteit?
De overgrote meerderheid van homomannen en lesbische vrouwen heeft geen behoefte om in kleren van het andere geslacht rond te lopen. Deze behoefte komt trouwens ook voor onder hetero's: in Nederland is het bekendste voorbeeld de schrijver Maarten 't Hart.

2. Waar komt dat misverstand vandaan?
De rellen op 28 juni 1969 rond de homobar Stonewall Inn in New York vormen het begin van de internationale homodemonstraties die meestal eind juni worden gehouden, in Nederland de Roze Zaterdag genoemd. Homotravestieten speelden bij die eerste grote opstand tegen homovervolging een belangrijke rol. En ook hier geldt de regel dat homomannen die zich zogenaamd 'vrouwelijk' gedragen het vooroordeel bevestigen. Al die vele anderen die het vooroordeel wel doorbreken, blijven onopgemerkt. Tenzij ze er openlijk voor uit komen. Sommigen noemen dat "er mee te koop lopen", alsof hetero's dat niet voortdurend doen.

3. Is transseksualiteit hetzelfde als homoseksualiteit?
Transseksualiteit betekent meestal dat als men zich vóór de geslachtsverandering tot het eigen geslacht aangetrokken voelt dit daarna het andere geslacht wordt. Trans- en homoseksualiteit vallen dus net zo min samen als trans- en heteroseksualiteit.
Het Eurovisie Songfestival van 1998 werd gewonnen door de Israëlische transseksuele Dana International. Zij was zeer populair in homovijandige islamitische landen waar verandering van geslacht (Casablanca!) minder problematisch is dan het spelen met geslachtsrollen en openlijke homoseksualiteit. Opvallend is dat veel culturen en instellingen waarin het gebruikelijk is dat mannen in jurken lopen (zoals priesters, imams en popes) tot de meest homovijandige behoren. Kennelijk wordt daar een gevoelige homosnaar geraakt. Dat geldt ook voor de homovijandige reacties uit Rusland.

4. Hoe kunnen de vijandige reacties op de 'vrouw met de baard' verklaard worden?
Ik weet nog goed hoe ik september 1967 in de COC-sociëteit in Utrecht schrok van de eerste mannen die ik met elkaar zag dansen. Begrijpelijk, want ik had dat nog nooit eerder gezien. Op mijn latere wereldreizen heb ik in homovijandige landen veel vrouwen met vrouwen, en mannen met mannen, zien dansen of hand in hand zien lopen waar dat heel gewoon werd gevonden.
In de Verenigde Staten word je op de beeldbuis doodgegooid met geweld tussen mannen maar is het land te klein als ze elkaar zoenen. Ook in Nederland zijn er nog mensen die daarvan schrikken of daar onpasselijk van worden. Waaruit maar weer blijkt dat de media (en vooral de reclame) zodanig overheerst worden door opgedrongen heteroseksualiteit dat vergelijkbaar homo/lesbisch gedrag taboe is. Onze Tom werd in zijn jeugd veel gepest met zijn anders-zijn. Zijn act "Rise Like A Phoenix" is zowel een dramatische wraakneming als een steun in de rug voor al die andere pestslachtoffers. Zoiets als het sprookje Het lelijke eendje van de Deense schrijver Hans Christian Andersen.

5. Hoe zijn de verschillen in reacties in Europa te verklaren?
Alle West-Europese landen gaven 12, 10 of 8 punten aan het Oostenrijkse liedje. Alleen het buurland Duitsland niet, hetzelfde land waar het huwelijk nog steeds niet is opengesteld voor paren van gelijk geslacht. Opvallend was dat het homovijandige Rusland 5 punten gaf, waaruit maar weer blijkt dat het beleid van Poetin minder draagvlak heeft dan men denkt. Maar het meest verbazingwekkend vond ik het feit dat Polen geen enkel punt gaf aan het Oostenrijkse liedje. De macht van de katholieke kerk is daar kennelijk nog sterker dan in de andere van huis uit katholieke landen die wel twaalf punten gaven.

En dat brengt mij op de komende Europese verkiezingen. Van alle Nederlandse kandidaten heeft Sophie in 't Veld (D66) zich het meest ingezet voor Europese gelijkberechtiging van humanisten en van de homo/lesbische minderheid. Er zijn kandidaten die er geen moeite mee hebben om in dezelfde fracties te zitten als homovijandige partijen zoals het Vlaams Blok, het Front National, de Lega Nord en de partij van Berlusconi. In enkele landen in de Europese Unie is het recht nog ver te zoeken om zelf zin en vorm te geven aan het eigen leven zolang je het zelfbeschikkingsrecht van anderen niet aantast. Alle reden dus om zelfbewust te gaan stemmen op donderdag 22 mei 2014!


Zie voor een humanistische stemwijzer kieswijs.eu en voor een roze gayvote.nl

P.S. De tekst van mijn Tresoar-lezing is op te vragen via robtielman46@gmail.com
P.P.S. Uit betrouwbare Duitse bron vernam ik dat de bevolking 12 punten aan Oostenrijk heeft gegeven maar dat een homovijandige jury het puntental heeft doen dalen tot 7.

Mijn memoires "Humanisme als zelfbeschikking, levensherinneringen van een homohumanist" zijn november 2016 uitgegeven bij de Papieren Tijger Breda.

zaterdag 10 mei 2014

41. Piet Thoenes, van Dachau tot Utopia

Over mijn (on)godsdienstig verleden in Hilversum plaatste ik een blogbericht op 22 februari 2014. Hoe ik op de katholieke universiteit in Nijmegen ben terechtgekomen, legde ik uit in blogbericht 27: "Dachautje spelen". En over mijn heftige aanvaring met het katholicisme aldaar schreef ik blogbericht 35: Twee katholieke kandidaatsexamens. Waarom ik naar Utrecht verhuisde, beschreef ik in blogbericht 37: Rampenzomer 1967. Dat had veeleer te maken met de nabijheid van mijn moeder in Hilversum dan met de Utrechtse sociologie-opleiding. Wel werd ik dankzij de Rijksuniversiteit Utrecht gered door een begripvolle studentendecaan. Hieronder ga ik verder met een voorpublicatie uit mijn memoires in wording.



UTRECHT 1968 

Hoewel ik niet geloof in goddelijke voorzienigheid was het een zeer gelukkig toeval dat de socioloog Piet Thoenes in 1968 hoogleraar werd in Utrecht. Ik studeerde daar toen net. Het was mij al bekend dat hij een oud-communist was die in Dachau had gezeten. De kampervaringen van mijn vader en de toestand rond het “Dachautje spelen” in Nijmegen hadden mij nieuwsgierig gemaakt naar zijn verwerking van de Tweede Wereldoorlog.

Piet Thoenes was aanvankelijk terughoudend om er over te vertellen maar tijdens onze reizen naar Oost-Europa in het kader van een UNESCO onderwijsonderzoek sliepen wij regelmatig op één kamer. Zo ontdekte ik dat hij 's nachts vaak wakker lag en geleidelijk kwamen de verhalen los. Die leken in veel opzichten op die van Primo Levi in zijn boek "Is dit een mens" dat ik later las.

Als jonge homo wist ik niets van homoseksualiteit in de Duitse kampen. Eind jaren zestig kreeg ik pas te horen over de vervolging van homo's die als dragers van de roze driehoeken tot het uitschot in de kampen behoorden en vrijwel niet overleefden. Van Piet Thoenes hoorde ik voor het eerst hoe de anti-homopolitiek van de nazi's nauw samenhing met (homo)seksueel misbruik in de mannenkampen. Net zoals dat nu gebeurt in het Rusland van Poetin.

Toch was Thoenes niet homovijandig, integendeel. Hij was degene die mij aanraadde om niet te promoveren op de taalstrijd in Vlaanderen
maar op de geschiedenis van de homoseksualiteit in Nederland omdat de kennisachterstand daarover veel groter was. Ik had hem openhartig verteld over mijn activiteiten in de homobeweging en dat was geen enkel beletsel om mij aan te stellen als zijn student-assistent.

Dat assistentschap was een uitstekende toegang tot mijn latere universitaire loopbaan. Zo was ik nauw betrokken bij het schrijven van zijn oratie over Utopia en zijn onderzoek naar de rol van de Europese sociologie in opdracht van de Raad van Europa. Maar het meest dankbaar ben ik voor zijn voorstel om mijn afstudeeronderzoek te doen naar de aansluiting van het Humanistisch Opleidings Instituut (HOI) op de werkvelden van humanistische raadslieden. Daardoor leerde ik in korte tijd veel sleutelfiguren kennen in de humanistische beweging, onder wie Jaap van Praag. Dat werd het snelle begin van een lange loopbaan in de humanistische beweging.

Piet Thoenes was in staat om zijn afschuwelijke kampervaringen om te zetten in een geloof in de maakbaarheid van de maatschappij. Zo wist hij samen met anderen rond 1970 het Sociologisch Instituut om te vormen van een allegaartje van uiteenlopende stokpaarden tot een samenwerking rond de toekomst van de welvaartsstaat. Er was één vakgebied dat we daarin niet konden onderbrengen: de sociologie van de islam. Prompt kwam de oliecrisis van 1971 met een boycot van Nederland door islamitische olielanden waardoor plotseling de toekomst van de Nederlandse welvaartsstaat een stuk minder rooskleurig werd.

Zo kreeg Piet Thoenes meer teleurstellingen te verwerken. Ik herinner mij hoe hij eind jaren zestig  vaak zijn werkkamer binnenkwam terwijl hij melodieën neuriede uit De nieuwe wereld van Dvořák. Ook nodigde hij mij uit om te komen wonen in een soort commune in zijn landgoed Swaenevecht in Oud-Zuilen. In die dagen was het persoonlijke immers politiek. Ik weigerde beleefd omdat ik als jonge homo toch liever werk en privéleven wat gescheiden hield. En tot zijn grote verdriet moesten de linkse studenten weinig van de 'afvallige' oud-communistische hoogleraar hebben. Ikzelf knapte als zoon van een ongeschoold arbeider ook af op die zelfverklaarde linkse studenten toen één van hen, het generaalszoontje Pieter Broertjes, mij als arbeiders onderdrukkende directeur in een radicale studentenvideo wilde laten optreden.

Ik mocht Piet Thoenes opvolgen als docent aan het Humanistisch Opleidingsinstituut (HOI) en als voorzitter van het Humanistisch Archief, het huidige Humanistisch Historisch Centrum. Hij is voor mij de brug geweest tussen het onverwerkt oorlogsverleden van mijn vader en het streven naar een menswaardiger bestaan.
 



Een oud-collega van Piet Thoenes en mij schreef: "Wat een mooi en ontroerend stuk over Piet Thoenes. En ook over jouw verleden las ik dingen die ik nog niet wist. Dank voor deze tekst."

Herman Noordegraaf schreef mij: "Op de Nieuwsbrief van het Humanistisch Archief vond ik je blog op Piet Thoenes. Graag attendeer ik je op het lemma dat ik over hem schreef voor het Biografisch Woordenboek van Nederland en dat nu te vinden is op: www.biografischportaal.nl.
Ik heb voor het schrijven van het lemma uiteraard de familie geraadpleegd en onder meer inzage gekregen in een autobiografisch stuk over zijn tijd in Dachau dat Piet schreef voor zijn kinderen. Op 1 juli 1995 ontmoette ik Piet Thoenes voor het laatst en wel bij de 65-jarige verjaardag van Bert Laeyendecker. De laatste foto van Piet is er een waar Piet en ik in de tuin van L. zitten, in Bunnik op een mooie zomerdag. We waren wat levensbeschouwelijke achtergrond betreft verschillend, maar vonden elkaar in maatschappijkritische inzichten."

Zie voor het vervolg van mijn humanistisch verleden blogbericht 46: Jaap van Praag, grondlegger van de humanistische beweging. 
Naschrift: Mijn memoires "Humanisme als zelfbeschikking, levensherinneringen van een homohumanist" zijn november 2016 uitgegeven bij de Papieren Tijger Breda.

zaterdag 3 mei 2014

40. Benno Premsela, een nieuwe vader

De reeks beschrijvingen van mijn homojeugd, mijn eerste vriendje en de rampenzomer 1967 zet ik nu voort met mijn ervaringen als net uitgekomen homo die nog geen enkele andere homo dacht te kennen, die vanwege zijn homoseksualiteit door zijn vader was verstoten en die zich moederziel alleen op de wereld voelde.


UTRECHT NAJAAR 1967

Bij de informatie voor nieuwe Utrechtse studenten zat ook een stenciltje van het net opgerichte Homofiel Studenten Dispuut HSD. Ik maakte meteen een afspraak met de voorzitter Nico Bredero. Op mijn verzoek noemde hij een aantal boeken om mij zo snel mogelijk in het onderwerp in te lezen want aan de verouderde Katholieke Encyclopaedie van mijn lieve oma had ik op dit gebied niet veel. Omdat hij nog een penningmeester zocht, had ik binnen de kortste keren mijn eerste taak in de homobeweging te pakken. Er zouden nog vele volgen.

Dankzij Nico leerde ik het tijdschrift Dialoog kennen waar een heel andere wind waaide rond homoseksualiteit dan ik tot dan toe was tegengekomen. Niet homoseksualiteit was het probleem maar de maatschappelijke veroordeling ervan. Gerard Reve, Jaap Harten (Operatie Montycoat) en James Baldwin (Giovanni's Room) werden mijn eerste literaire helden. Sommige redacteuren van het tijdschrift Dialoog schreven onder schuilnaam. Een daarvan bleek Rob Gras te zijn waaruit achteraf bleek dat de studentendecaan een goede neus had gehad door juist aan hem te vragen of ik bij hem assistent kon worden. 

Hoewel Nico heel negatief was over de homobelangenorganisatie het COC werd ik toch door het tijdschrift Dialoog nieuwsgierig. Om kennis te maken met het COC maakte ik een afspraak met de jongste bestuursleden van COC-Utrecht. Zij waren het eerste vriendenpaar dat ik in mijn leven ben tegengekomen: de medestudenten Joop Maissan en Angelus Megens. Hun relatie sloot aan bij mijn eerste relatie-ervaringen met mijn eerste vriendje. Waarom werd er zo moeilijk gedaan over iets dat zo vanzelfsprekend was?

Zij vertelden mij dat COC-voorzitter Benno Premsela binnenkort een lezing zou komen houden in de werfkelder van COC-Utrecht onder het huis van Jacques Drabbe aan de Nieuwegracht. Ik besloot meteen lid te worden van het COC wat nu mocht omdat ik net meerderjarig was geworden. Het bleek de gewoonte te zijn dat vrijwel iedereen lid werd onder een schuilnaam maar ik vond dat volstrekte onzin want waarom zou ik iets willen verbergen waarvoor ik mij niet hoefde te schamen?

Het maatschappelijke vooroordeel over oude, zielige, eenzame en nichterige homo's viel onmiddellijk in duigen. Benno Premsela was veel vitaler en moderner dan de meeste homostudenten die ik had leren kennen. Hij was de ideale vaderfiguur die ik mijn hele leven tot dan toe had moeten missen. (Zie het interview met mij over Benno Premsela in de gelijknamige film van Carrie de Swaan die hoort bij de biografie "Benno Premsela 1920-1997, voorvechter van homo-emancipatie" geschreven door Bert Boelaars en uitgegeven bij Toth, Bussum 2008.)

Benno stimuleerde mij om afgevaardigde te worden van de afdeling Utrecht voor de landelijke COC-congressen. Daar stelde ik de vraag of de geruchten klopten dat het hoofdbestuurslid Johan Polak vrijwel nooit de hoofdbestuursvergaderingen van het COC bezocht. Dat werd mij door velen van de oudere garde niet in dank afgenomen maar er waren gelukkig ook oudere COC-kaderleden zoals Benno die de verjonging van het COC toejuichten.

Een daarvan was de voorzitter van de COC-afdeling Utrecht Andries Haanstra die met zijn vriend Jan Teengs Gerritsen tientallen jaren samenwoonde aan de Vinkeveense plassen. Dat was het eerste oudere vriendenpaar dat ik ontmoette. Er ging een wereld voor mij open. Ik werd mij bewust van het feit dat er een tot dan toe geheim gebleven homo/lesbische geschiedenis was en ik nam mij voor die in kaart te brengen.

Dat voornemen werd versterkt door de vroegere voorzitter van COC-Utrecht Jacques Drabbe in wiens werfkelder de societeitsbijeenkomsten waren. Zijn huis was geheel in Empirestijl ingericht als eerbetoon aan Napoleon die er voor gezorgd had dat de strafbaarstelling (met inbegrip van de doodstraf) van gelijkgeslachtelijke contacten in 1811 werd afgeschaft. Hij wees mij er op dat de linkse mode onder veel toenmalige homostudenten een blijk van onkunde was van de eigen homo/lesbische geschiedenis: de Sovjet Unie en andere communistische staten waren bepaald geen homo/lesbische paradijzen.



Zie voor het vervolg: Gerard Reve & Antoine Bodar.
Naschrift: Mijn memoires "Humanisme als zelfbeschikking, levensherinneringen van een homohumanist" zijn november 2016 uitgegeven bij de Papieren Tijger Breda.

vrijdag 25 april 2014

39. Gered door studentendecaan

In de reeks van voorpublicaties uit mijn memoires in wording ben ik na beschrijvingen van de thema's humanisme en homoseksualiteit nu weer toe aan het thema onderwijs. De voorafgaande blogberichten waren 23. Onderwijsverleden27. "Dachautje-spelen" en als laatste in deze serie 35. Twee katholieke kandidaatsexamens. Het is belangrijk om te weten dat mijn vader augustus 1967 hoort dat ik homo ben en dat hij weigert verder mijn studie te betalen vanwege mijn homoseksualiteit, zoals ik heb beschreven in blogbericht 37. Rampenzomer 1967.

UTRECHT AUGUSTUS 1967 

Tijdens de inschrijving bij de Rijksuniversiteit Utrecht viel mij een klein berichtje op dat studenten met problemen bij de studentendecaan mevrouw Van Herten-Romme terecht konden. Ik maakte meteen een afspraak met haar en besloot open kaart te spelen omdat ik toch niets meer te verliezen had. Mijn verhaal maakte grote indruk op haar. Zij had het in haar loopbaan als studentdecaan nog nooit meegemaakt dat een vader weigerde de studie te betalen maar wel de kinderbijslag en –aftrek in zijn zak stak. Ze heeft deze zaak aangekaart bij het ministerie van Onderwijs en dat heeft er uiteindelijk toe geleid dat er een regeling is gekomen voor dergelijke gevallen want die bestond toen nog niet (de zogenaamde hardheidsclausule).

Omdat ik toch snel een inkomen moest hebben, deed zij twee dingen. In de eerste plaats nam zij contact op met een bankier van de toenmalige bank van de universiteit, de nu niet meer bestaande Crediet- en Effectenbank in Utrecht. Ik maakte een afspraak bij de bankier thuis in Zeist en ik tekende een contract om enkele duizenden guldens renteloos te lenen die ik in kleine maandelijkse bedragen terug moest betalen. Dankbaar denk ik aan deze man terug die uit een heel ander hout gesneden was dan de graaiende bankiers waarmee we later helaas te maken kregen.

Tegelijkertijd nam zij contact op met Rob Gras, de directeur van het universitaire Bureau voor Onderwijsonderzoek en Studiebegeleiding aan de Herenstraat 33 in Utrecht. Zij vroeg hem of hij nog een studentassistent zou kunnen gebruiken. Dat was zo en ik kon meteen aan de slag met mijn eerste deeltijdsbaantje aan de universiteit. Wat ik toen nog niet besefte was dat vanaf dat ogenblik mijn pensioenopbouw begon. Daardoor kon ik veertig jaar later met vervroegd pensioen. Zo leerde ik dat ieder nadeel ook zijn voordeel heeft.

Het is in deze tijd van internetbankieren niet meer voor te stellen maar mijn weekloon kreeg ik vrijdagmiddags uitbetaald in een bruin loonzakje in het Curatorengebouw van de universiteit. Dat bevond zich toen vlak bij de Herenstraat aan de Kromme Nieuwegracht 29. Het toeval wil dat daar nu de Universiteit voor Humanistiek gevestigd is waarmee mijn persoonlijke geschiedenis en die van de humanistische beweging op een mooie manier verweven zijn geraakt.

Een ander voordeel was dat ik onder andere tot taak kreeg om snelleescursussen voor studenten te geven. Zo heb ik ervaren dat het de beste manier is om zelf iets te leren door het anderen te onderwijzen.  Als bestuurder in een lange reeks van organisaties heb ik heb de rest van mijn leven dankbaar van snellezen gebruik gemaakt.

Ook kreeg ik de taak om een van de eerste conferenties over onderwijsonderzoek te organiseren waardoor ik in één klap dat hele veld leerde kennen. Ook daar heb ik mijn hele werkzame leven veel aan gehad. Helaas is de toen al, en nog steeds bestaande kloof tussen onderwijspraktijk en onderwijsonderzoek er in al die jaren niet kleiner op geworden.

Bij al het terechte streven naar verbetering van het onderwijs wordt nogal eens vergeten hoe belangrijk studentendecanen zijn om er voor te zorgen dat studenten zich op het studeren kunnen richten zonder daarvan afgeleid te worden door op te lossen problemen. Het was weer een toeval in mijn leven dat ik een kleine vijf jaar later mijn vriend Herman leerde kennen die de laatste achttien jaar van zijn werk aan de Hogeschool Utrecht studentendecaan was. Ook dankzij hem weet ik nu hoe belangrijk het werk van studentendecanen is!








Zie voor het vervolg blogbericht 48: Jubeljaar 1971.
Naschrift:
Mijn memoires "Humanisme als zelfbeschikking, levensherinneringen van een homohumanist" zijn november 2016 uitgegeven bij de Papieren Tijger Breda.