Op 28 augustus 2015 kwam het rapport uit van de Committee on the Elimination of Racial Discrimination van de Verenigde Naties. Daarin staat veel over wat verbeterd kan worden in Nederland. De meeste aandacht in de media wordt niet besteed aan discriminatie op grond van afkomst of huidskleur maar aan het vermeende racisme van de kindervriend Zwarte Piet. Wie is schuldig aan deze strategische blunder? En wat hadden zelfverklaarde, zogenaamde 'antiracisten' kunnen leren van het succes van de homo/lesbische beweging?
Divagedrag door tegenstanders van Zwarte Piet werkt averechts
In blogbericht 69 wees ik erop dat het divagedrag van veel tegenstanders van Zwarte Piet averechts uitpakt. Wie zwelgt in de eigen slachtofferrol vanwege een kindervriend maar zwijgt over de hedendaagse slavernij in veel Arabische staten wordt niet serieus genomen. Buiten de Randstad roept dit hoofdzakelijk Amsterdamse divagedrag om een heel vrolijk kinderfeestje te verstoren veel weerstand op waardoor de bereidheid daalt om naar een oplossing te zoeken. Wie Nederland zwart maakt in de Verenigde Staten roept daar een Amerikaans cultureel imperialisme op dat de Nederlandse weerstanden alleen maar vergroot. Het Nederlands kent daar een goede uitdrukking voor: "de pot verwijt de ketel dat ie zwart ziet". Rassendiscriminatie in Nederland valt in het niet vergeleken met het raciaal geweld in de Verenigde Staten. Nederland heeft in eigen land nauwelijks slavernij gekend, de VS op grote schaal wel. In sommige Amerikaanse media wordt gedaan alsof Nederland een grootmacht was in de slavenhandel terwijl het maar om enkele procenten gaat. Deze zwartmakerij zal de Nederlandse bereidheid om het uiterlijk van Zwarte Piet te veranderen alleen maar verminderen. Het feit dat Zwarte Piet volgens tegenstanders alle kleuren mag hebben maar niet zwart, is trouwens ook een vorm van discriminatie!
Zwart racisme
In blogbericht 61 heb ik beschreven hoe ik in Afrika en Amerika slachtoffer was van zwart racisme. Ik schreef: "Wie het hardst 'racisme' roept, maakt zich daar waarschijnlijk zelf schuldig aan". Nu we het toch over discriminatie hebben: veel Afrikaanse landen lopen voorop in het vervolgen van homo/lesbische minderheden, soms tot de dood er op volgt. De Jamaicaanse vrouw die zogenaamd namens de Verenigde Naties ons de les kwam lezen over discriminatie heeft, voor zover ik op internet heb kunnen nagaan, nog nooit kritiek geuit over de soms dodelijke vervolging van de homo/lesbische minderheid in eigen land. Dit meten met twee maten is een voorbeeld van selectieve verontwaardiging.
In de afgelopen jaren heeft de homo/lesbische beweging o.a. in de Verenigde Staten veel vooruitgang geboekt om tot huwelijksgelijkberechtiging te komen. Ook hier valt op dat (met uitzondering van Zuid-Afrika) heel Afrika achter blijft bij Europa en bij Noord- en Zuid-Amerika. Zie dit rapport van Hivos en dit vraaggesprek met Siya Khumalo.
Hoe zou het komen dat de Afro-Amerikaanse gemeenschap in de VS in een veel langere periode dan de homo/lesbische beweging veel minder vooruitgang geboekt heeft om achterstelling tegen te gaan? Misschien helpt het dat de homo/lesbische beweging niet zwelgt in de slachtofferrol van eeuwen van homovervolging maar zich richt op bestrijding van hedendaagse homovervolging wereldwijd. De homo/lesbische beweging heeft niet haar kracht gezocht in het isolement maar in zelforganisatie in samenwerking met bondgenoten en sleutelfiguren. Zo ontstonden bij de Amerikaanse, Nederlandse en Vlaamse politie roze netwerken terwijl veel Afro-Amerikanen zwarte politiemensen als verraders zien. Alle homo/lesbische demonstraties zijn daar en hier vooral vrolijk ("gay"!) en leiden niet tot zelfgekozen geweld en winkelplunderingen. De wereldwijde homo/lesbische beweging beseft dat eeuwenlange homovervolging nooit een rechtvaardiging mag zijn voor geweld en voor in het wilde weg critici beschuldigen van discriminatie.
Wie "racistische" kinderfeestjes ruwweg verstoort zoals in de Randstad rond Zwarte Piet en Sinterklaas of demonstreert tegen een "racistische" Gouden Koets op een dag dat de hele wereld rouwt over dode vluchtelingen is niet antiracistisch maar verblind door het eigen divagedrag.
Over onze Zwarte Piet gesproken: hoe komt het dat de Iraanse Zwarte Piet onlangs tot werelderfgoed is verklaard terwijl de VN de Nederlandse Zwarte Piet als racistisch heeft veroordeeld? In gewoon Nederlands heet dat ongelijke behandeling ofwel discriminatie!
Mijn memoires "Humanisme als zelfbeschikking, levensherinneringen van een homohumanist" zijn november 2016 uitgegeven bij de Papieren Tijger Breda.
Naschrift: op zondag 27 december 2015 vond een nieuwe strategische blunder plaats uit zogenaamd 'antiracistische' kringen: een boekverbranding op de Dam in Amsterdam omdat in dat boek het woord 'neger' wordt gebruikt door iemand die in dat boek aan het woord komt. Daarmee plaatst deze beweging zich in een hoogst bedenkelijke traditie. In mijn proefschrift Homoseksualiteit in Nederland beschrijf ik hoe de boekverbranding van homoboeken in het Duitsland van 1933 het begin was was de ernstigste homovervolging uit de twintigste eeuw.
Op 2 mei 2017 schrijft columnist Ephimenco in Trouw over het boek 'Hallo witte mensen' van Anousha Nzume. Zij vindt dat "witte" mensen niet over "zwarte" mensen zouden mogen schrijven. Omgekeerd wel. Ephimenco noemt dat "het zwarte privilege van Anousha Nzuma": "Een mechanisme dat maakt dat als je een donkere huid bezit je blanke
medemensen over één kam mag scheren en vol op het orgel de
wij/zij-retoriek mag hanteren."
zaterdag 12 september 2015
zaterdag 5 september 2015
109. Fryske taalfrede op 'e nij bedrige
In de blogberichten 33 en 81 heb ik eerder geschreven over de Friese taalvrede. Nu wordt die opnieuw bedreigd. Dit keer gaat het om de zelfstandigheid van Omrop Fryslân en om het recht om Fries te spreken in de rechtszaal. Kennis van de Friese geschiedenis kan helpen om dreigend onrecht te keren. Woonden er Friezen in wat nu het Vlaamse kustgebied is?
Omrop Fryslân
Bezuinigingen bij de landelijke publieke omroep bedreigen de zelfstandigheid van Omrop Fryslân. Het lijkt zo onschuldig om het beheer van de Friese omroep landelijk te regelen. Maar de huidige aftakeling van de rechtbank in Leeuwarden laat zien dat het vaak begint met bestuurlijke schaalvergroting en dat het eindigt met een regelrechte aanslag op Friese taalrechten. Gelukkig is er nu Europese wetgeving om de rechten van taalminderheden te beschermen. De Nederlandse overheid doet net alsof er niets aan de hand is maar dat is een kenmerk van iedere meerderheid die een minderheid niet ziet staan.
Ik ben geboren in Hilversum en heb er achttien jaar gewoond. Mijn vader werkte bij de VARA en ik was als kleuter al voor de radio. Als oud-voorzitter van het Humanistisch Verbond van 1977 tot 1987 weet ik wat het is om een zendgemachtigde te leiden. Als oud-lid van de Programmaraad van de Humanistische Omroep van 2000 tot 2009 heb ik zelf meegemaakt hoe de landelijke publieke omroep werkt. Er heerst in Hilversum een 'Engelse ziekte': je wordt doodgegooid met Engelstalige muziek en programma's en er is zo goed als geen aandacht voor de tweede rijkstaal Fries. Hoe vaak gebeurt het niet dat men in Hilversum leuk wil zijn door zogenaamd Friezen na te doen in een taaltje dat geen Fries is maar op Saksisch lijkt?
Friestalige radio en televisie is een levensnoodzaak voor het Fries. Iedere taal kan in de hedendaagse wereld niet overleven zonder eigen televisie, radio en sociale media. Als 'nije Fries' heb ik veel aan Friestalige uitzendingen gehad om de taal te leren verstaan. Dat geldt ook voor andere inwoners van Friesland die thuis geen Fries spreken. Wie de zelfstandigheid van Omrop Fryslân bedreigt, pleegt een aanslag op de toekomst van het Fries. Daarom moet met alle politieke en juridische middelen de zelfstandigheid van Omrop Fryslân verdedigd worden!
Fries in de rechtspraak
Iedereen die de geschiedenis van Friesland kent die weet waar 'Kneppelfreed' van vrijdag 16 november 1951 voor staat. Met politieknuppels trachtten Friesvijandige Nederlanders de rechten van Friestaligen in de rechtspraak tegen te houden. Wil Justitie misschien opnieuw een Kneppelfreed uitlokken? Omdat één man uit Almelo weigert naar Friesland te komen, moeten grote aantallen Friezen naar Almelo komen wegens een uiterst gevoelige rechtszaak waar geen Fries gesproken mag worden.
We zien hier weer een klassiek geval van Nederlandse bekrompenheid. Omdat Justitie moet bezuinigen, wordt op de rechtspraak in Friesland bezuinigd waardoor Friezen die recht zoeken op kosten worden gejaagd. Maar er is meer aan de hand dan het over de schutting gooien van bezuinigingen waarvoor burgers moeten boeten. Er is sprake van een regelrechte minachting van Friestaligen als rechtszittingen worden verplaatst naar rechtbanken waar geen Fries mag worden gesproken. Wat zou er gebeuren als Nederlanders gedwongen zouden worden om in Duitsland in het Duits berecht te worden? Nederland zou te klein zijn. Terecht is er Europese wetgeving om dat te voorkomen. Maar opnieuw wordt er buiten Friesland gedaan alsof er niets aan de hand is.
Men hoeft geen socioloog te zijn zoals ik om te beseffen dat hier met vuur gespeeld wordt. Het ligt voor de hand om te verwachten dat net als in 1951 grote groepen Friezen hiertegen zullen protesteren. De kans is groot dat dit keer Almelo het toneel van gewelddadigheden wordt. Wie de geschiedenis van Friesland kent die weet dat Friezen veel kunnen verdragen maar dat er grenzen worden overschreden als men zich geminacht voelt. Het wordt de hoogste tijd dat er op het Zaailand voor de rechtbank in Leeuwarden een gedenkteken komt om Kneppelfreed te herdenken opdat de geschiedenis van onderdrukking van Friestaligen niet herhaald wordt!
Het belang van de Friese geschiedenis
Omdat ik in Friesland kwam wonen, heb ik mij verdiept in de Friese geschiedenis. Die verklaart heel veel van de hedendaagse Friese identiteit. Dat verdraagzaamheid, openheid en gemeenschapszin hier nauw samengaan met een sterke eigen identiteit gebaseerd op zelfbeschikking, vrijheidszin en gelijkberechtiging. Het wonen op terpen en in polders, het leven op schepen en de wereldwijde handelscontacten: het verklaart de weerzin tegen feodale machtsverhoudingen. Het leidde tot het besef dat we samen in het zelfde schuitje zitten en dus samen problemen moeten oplossen. Niet gelaten alles over je heen laten komen maar samen naar praktische oplossingen zoeken waar zo veel mogelijk mensen baat bij hebben. Niet 'ikke-ikke-en-de-rest-kan-stikke' maar 'mienskip' (gemeenschapszin).
Het belang van kennis van de Friese geschiedenis is dat Friezen en niet-Friezen kunnen leren hoe men op vreedzame wijze met elkaar om ging en kan blijven gaan. Dat Friesland geen Baskenland of Oekraïne wordt, dat is in ieders belang. Ik denk dat het eerder onwetendheid dan kwaadwilligheid is dat de Nederlandse overheid nu bezig is met vuur te spelen. Maar ik heb in ieder geval gewaarschuwd voor de gevaren die dreigen. In de hoop dat de fouten van 1951 niet herhaald worden!
Naschrift: wie meer wil weten over de vroege Friese geschiedenis raad ik aan om het boek te lezen van Luit van der Tuuk: De Friezen. De vroegste geschiedenis van het Nederlandse kustgebied (Uitgeverij Omniboek, Utrecht 2013). Hij besteedt geen aandacht aan de vraag of er vroeger Friezen woonden in wat nu het Vlaamse kustgebied is. Ik vermoed van wel!
Het belang van Friesland voor de Europese en wereldgeschiedenis wordt beschreven in het eerste hoofdstuk 'The invention of money' van het boek van Michael Pye: The Edge of the World. How the North Sea Made Us Who We Are (Uitgeverij Viking, Londen 2014). Wie meer wil weten over het belang van Omrop Fryslân kan terecht op de Fryske webside It Nijs.frl.
Zie hier de brief van 5 oktober 2015 van de Freonen fan Omrop Fryslân.
Op 16 december 2016 werd bekend dat de Raad van Europa zeer ontevreden is over Nederland inzake het Friese taalbeleid. Zo zijn er onvoldoende waarborgen dat Fries gesproken kan worden in rechtbanken en wordt in het Friese taalonderwijs onvoldoende aandacht besteed aan het lezen en schrijven in het Fries en aan de Friese taal en cultuur. Als het gaat om de rechten van de Friese minderheid heeft Friesland veel bondgenoten in Europa. Lees: Nexit? Fryslânexit!
Op 21 december 2016 besloot de provincie Fryslân om Omrop Fryslân jaarlijks met € 655.000,- te steunen vanwege de grote betekenis voor de Friese taal en cultuur. Ondanks eerdere pogingen om de zelfstandigheid van deze Friestalige omroep af te schaffen, is het toch gelukt om die te behouden.
Op 22 december 2016 hield de burgerinitiatiefgroep Sis Tsiss ('zeg kaas' in het Fries) een fakkeloptocht in Leeuwarden waaraan 300 deelnemers meededen onder het motto Frysk op skoalle - in bernerjocht (Fries op school - een kinderrecht). Zestig 'pommeranten' (prominenten) steunen deze manifestatie voor het Friese onderwijs.
Mijn memoires "Humanisme als zelfbeschikking, levensherinneringen van een homohumanist" zijn november 2016 uitgegeven bij de Papieren Tijger Breda.
zaterdag 29 augustus 2015
108. Homodok, Homologie, Urania, Vrolijk & Schorer
Mijn voorzitterschap van Homostudies Utrecht leidde tot veel andere activiteiten. Van bij voorbeeld het Documentatiecentrum Homostudies, het tijdschrift Homologie, de stichting Homo RTV Urania, de homo/lesbische boekhandel Vrolijk, de stichting voor de leerstoelen Lesbische en Homostudies, de Schorerstichting tot het huidige IHLIA LGBT Heritage.
Na het eeuwenlange doodzwijgen van homoseksualiteit werd de homo/lesbische beweging zichtbaar en strijdbaar in de jaren zeventig, tachtig en negentig om een nooit meer uit te wissen indruk achter te laten. Homoseksualiteit werd van een ziekte tot een biologische variant. Niet homoseksualiteit was een probleem maar de maatschappelijke veroordeling ervan. Ik ben blij aan die ontwikkeling een steentje te hebben kunnen bijdragen.
Van Homodok tot IHLIA LGBT Heritage
Vanuit Homostudies Utrecht zat ik van 1978 tot 1992 in het bestuur van het "Homodok" ofwel het Dokumentatiecentrum Homostudies in Amsterdam. Dat ging later op in wat nu IHLIA LGBT Heritage heet en gevestigd is in de Openbare Bibliotheek Amsterdam OBA. Van 2002 tot 2009 zat ik in het bestuur van IHLIA. In die tijd hield ik mij vooral bezig met het door de overheid bekostigde "Rechtsherstel Homoseksuelen Tweede Wereldoorlog", met een tentoonstelling over de homovervolging in WOII en met het boek Het begint met nee zeggen. Biografieën rond verzet en homoseksualiteit 1940-1945 onder redactie van Klaus Müller en Judith Schuyf (Amsterdam 2006). In verband met dit rechtsherstel moeten ook genoemd worden de boeken Doodgeslagen, doodgezwegen. Vervolging van homoseksuelen door het nazi-regime 1933-1945 onder redactie van Klaus Müller (Amsterdam 2005) en Levenslang. Tiemon Hofman, vervolgd homoseksueel en avonturier geschreven door Judith Schuyf (Amsterdam 2003).
Homologie
Van 1978 tot 1992 was ik voorzitter de stichting die het tijdschrift Homologie uitgaf van 1978 tot 1997. In de eerste redactie zaten Bert Boelaars, Martien Sleutjes, Sacha Wijmer en Henk Wilschut die na een jaar werd opgevolgd door Chris Verboog (1952-1992).
Homologie was een onafhankelijk tijdschrift dat meestentijds tweemaandelijks verscheen. Het besteedde aandacht aan homostudies en homoseksualiteit in een tijd dat de meeste media daar niet over schreven of sensatiegericht negatief. Van groot belang was de rubriek Relevant over recente publicaties rond homoseksualiteit, een activiteit die is opgegaan in de hierboven genoemde Homodok en IHLIA. Ook nu nog algemeen bekende schrijvers in Homologie waren Hans Goedkoop, Bas Heijne, Marianne Hoogma, Maaike Meijer en Xandra Schutte.
De grootste oplage was 3000. De eerste jaargang werd door de redactie zelf gedrukt, gevouwen en geniet. De drie jaren daarna kon men voor een vriendenprijs terecht bij drukkerij Bongers in Limburg. Toen het van krant in magazine veranderde, werd het op zakelijke basis gedrukt bij een andere drukkerij. Omdat de oplaag aan de lage kant bleef, was het blad op de lange termijn te duur om te kunnen voortbestaan. Uit de Lezersservice van Homologie is de nu nog bestaande boekhandel Vrolijk in Amsterdam voortgekomen. Van Homologie is helaas geen digitale versie beschikbaar: dat zou er wel moeten komen. In dit kader moeten ook nog de Homojaarboeken 1981, 1983 en 1985 genoemd worden, waarvan ik in de redactie zat.
Stichting Homo RTV Urania
De toenmalige homo/lesbische beweging ergerde zich mateloos aan de meeste media die meestal alleen maar aandacht besteedden aan homoseksualiteit als er iets negatiefs te berichten viel. Daarom werd de stichting Homo RTV Urania opgericht die van 1982 tot 1996 bestaan heeft. Ik was daarvan vice-voorzitter van 1982 tot 1992. Voorzitter was Petra Schedler. RTV Urania wilde nadrukkelijk geen eigen omroep oprichten maar wilde wel bevorderen dat de publieke omroep meer aandacht aan homoseksualiteit zou besteden. Het accent lag daarbij op radio omdat dat medium heel geschikt was om die homo's en lesbo's te bereiken die nog in de kast zaten. In die tijd werd televisie vooral bekeken in gezinsverband en tv-programma's over homoseksualiteit leidden voor homo's en lesbo's die nog in de kast zaten vaak tot pijnlijke situaties. Bovendien was radio in het pre-internet-tijdperk heel geschikt om actuele homo/lesbische activiteiten aan te kondigen.
Aanleiding om RTV Urania op te richten was het feit dat de VPRO stopte met het eerste homo/lesbische radioprogramma Ook zo met Reijer Breed en Diane de Coninck. Hoewel de stichting er formeel niet bij betrokken was, was het toch als lobbygroep succesvol om homo/lesbische zendtijd bij de publieke omroep te steunen. Het radioprogramma Homonos bestond van 1982 tot 1994 en werd opgevolgd door Het Roze Rijk, van 1994 tot 2003 als radioprogramma en van 2003 tot 2006 als website. Redacteuren met wie ik te maken had, waren Job Frieszo, Nelly Frijda, Jan Nauta, Aletta Oosten, Jan Paul Helwig, Diane de Coninck, Bert Boelaars, Ali Karacabay, Peter van de Akker, Peter van der Vorst en Rémi van der Elzen. In 2004 en 2005 had ik een column bij www.rozerijk.nl.
Wie meer wil weten over de geschiedenis van Homoseksualiteit en de media kan terecht bij de gelijknamige bundel onder redactie van Erwin Bakker en Judith Schuyf (Utrecht 1985) en bij Homoseksualiteit in beeld onder redactie van Petra Schedler e.a. (Utrecht 1989) waaraan ik ook bijgedragen heb.
Pikant detail is dat ik de eerste zinnen van mijn memoires in wording meer dan twintig jaar geleden bij Homonos als radio-column heb uitgesproken: "In mijn vroegste herinnering sta ik als driejarige kleuter op de zonnige groenomzoomde Groest (een hoofdstraat in Hilversum) en vraag ik aan mijn moeder: “Waarom kunnen jongens niet met jongens trouwen?” Haar antwoord weet ik niet meer, maar ik heb toen wel geleerd dat je daarover beter kunt zwijgen. Ergens diep van binnen ontstond een geheime plek waar dit soort gevoelens werden opgeslagen in de hoop op betere tijden waarin het onnoembare bespreekbaar zou kunnen worden." Zie: Jan Nauta, Uit de kast. De mooiste columns uit Homonos (Amsterdam 1994).
Stichting Boekhandel Vrolijk
De huidige gay and lesbian book+dvd store vrolijk begon in 1982 met het verzenden van boeken voor het tijdschrift Homologie. De goede verkoop van onder andere mijn boek Homoseksualiteit in Nederland (Amsterdam 1982) leverde voldoende geld op om in 1984 de Stichting Boekhandel Vrolijk op te richten waarvan ik van 1984 tot 2001 voorzitter was. Net zoals in andere wereldsteden waren homo/lesbische boekhandels belangrijke centra omdat in de algemene boekhandels homo/lesbische boeken nauwelijks te vinden waren. Veel homo's en lesbo's durfden in die tijd daar ook geen homo/lesbische boeken te kopen of te bestellen. Er was een enorme achterstand in de verspreiding van homo/lesbische boeken. Bovendien waren homo/lesbische bladen belangrijke bronnen van informatie over wat er gaande was. Dat trok ook veel buitenlandse bezoekers aan. Vrolijk was dan ook een groot succes.
De belangrijkste bedreiging voor Vrolijk was de hetze die in 1996 ontstond rond Marc Dutroux. Boekhandel Vrolijk werd in media als 2 Vandaag, Telegraaf en Panorama ervan beschuldigd een centrum van jongensverkrachters te zijn. Vrolijk verkocht een jaarlijkse homogids waarin alle homo-ontmoetingsplaatsen opgesomd werden. Het was in die tijd in veel homokringen gebruikelijk om elkaar 'boys' te noemen ook al was men inmiddels van middelbare leeftijd. Het woord 'boys' werd door onnozele of kwaadaardige journalisten echter uit die context gerukt waardoor het beeld ontstond dat Vrolijk het homoseksueel misbruik van jongens bevorderde. Zij riepen op dat de boekhandel daarom gesloten zou moeten worden. Een klassiek voorbeeld van het eerder besproken vooroordeel dat homo's jongensverkrachters zouden zijn.
Ik schreef daarover maart 1997 in mijn column in de Gaykrant: "Wat is er eigenlijk gebeurd? Een heteroman vermoordde meisjes en vervolgens werden homoseksuele mannen valselijk beschuldigd van kindermisbruik. Er zijn honderden heteroporno-zaken die met rust gelaten werden, maar de enige op seksuele zelfbeschikking gerichte homo/lesbische boekhandel werd aangevallen op het verkopen van een boek dat vrijwel overal te koop is, de Spartacus-gids," Mijn opvolgster in 2001 als voorzitter van Vrolijk, Karin Spaink, schreef daarover een uitstekend verhaal. De hetze liep stuk op het feit dat iedereen die Vrolijk kende, wist dat het nergens op sloeg. Maar het liet weer eens zien hoe ontvankelijk sommige media voor homovijandige hetzes zijn.
Stichting Leerstoelen Lesbische en Homostudies
Na mijn vertrek in 1992 bij Homostudies Utrecht werd duidelijk hoezeer homostudies afhankelijk was van de personen die zich daarvoor inzetten. Zo was Homostudies Utrecht binnen tien jaar na mijn vertrek verdwenen. Daarom vond ik het belangrijk dat er binnen universiteiten structureel aandacht aan werd besteed. Daartoe werd in 1998 met behulp van directeur Riek Stienstra van de hierna te bespreken Schorerstichting een stichting opgericht om bijzondere leerstoelen lesbische en homostudies in te richten. Dat is gelukt in Amsterdam, Maastricht en Leiden. De stichting probeert daarnaast wetenschappelijk onderzoek en onderwijs te bevorderen binnen en buiten de universiteiten. Vanaf de oprichting ben ik secretaris van de stichting.
Wie ziet hoeveel onzinnig, zogenaamd wetenschappelijk, onderzoek gedaan wordt rond homoseksualiteit die begrijpt hoe nodig homostudies nog altijd is. Voor een nadere onderbouwing verwijs ik naar bericht 72: Misleidend onderzoek ontstaan homoseksualiteit. Meer dan twintig jaar na mijn vertrek bij Homostudies Utrecht word ik nog altijd benaderd door studenten om hen te begeleiden bij hun scripties op dit gebied. Ik blijf beschikbaar zo lang ik dat kan, maar ik heb (gelukkig) ook niet het eeuwige leven...
Schorerstichting
In mijn proefschrift beschrijf ik het belang van de opening in 1968 van, wat toen genoemd werd, een 'consultatiebureau voor homofilie', de Schorer(stichting) (1967-2012). De eerder door mij genoemde Riek Stienstra (1942-2007) was daarvan directeur van 1974 tot 2002. Stichting en directeur hebben een grote rol gespeeld bij de mentaliteitsverandering in de homo/lesbische hulpverlening. Ook moet de hulpverlening ('buddyzorg') voor mensen met HIV/AIDS genoemd worden. Evenals de zorg voor homo's en lesbo's afkomstig uit homovijandige culturen. Ik noem ook nog de uitgeverij Schorer Boeken en de Schorer Monitor die de gezondheid van homomannen in kaart bracht.
Ik ben van 2003 tot 2007 lid geweest van de Raad van Toezicht van dit Nederlands instituut voor homoseksualiteit, gezondheid en welzijn Schorer. In die tijd deed de toenmalige minister van Volksgezondheid Hans Hoogervorst, een mislukte poging om de subsidiekraan dicht te draaien. Gelukkig waren we toen nog in staat om door politieke lobby dit onheil voor homo/lesbische gezondheidszorg te keren. Op 24 juni 2010 mocht ik de Riek Stienstra Lezing houden. Ik zag het persoonlijk als een eerbetoon aan een vrouw die hopelijk niet in de vergetelheid zal verdwijnen zoals zovelen uit de homo/lesbische emancipatiegeschiedenis!
Naschrift: Mijn memoires "Humanisme als zelfbeschikking, levensherinneringen van een homohumanist" zijn november 2016 uitgegeven bij de Papieren Tijger Breda.
Na het eeuwenlange doodzwijgen van homoseksualiteit werd de homo/lesbische beweging zichtbaar en strijdbaar in de jaren zeventig, tachtig en negentig om een nooit meer uit te wissen indruk achter te laten. Homoseksualiteit werd van een ziekte tot een biologische variant. Niet homoseksualiteit was een probleem maar de maatschappelijke veroordeling ervan. Ik ben blij aan die ontwikkeling een steentje te hebben kunnen bijdragen.
Van Homodok tot IHLIA LGBT Heritage
Vanuit Homostudies Utrecht zat ik van 1978 tot 1992 in het bestuur van het "Homodok" ofwel het Dokumentatiecentrum Homostudies in Amsterdam. Dat ging later op in wat nu IHLIA LGBT Heritage heet en gevestigd is in de Openbare Bibliotheek Amsterdam OBA. Van 2002 tot 2009 zat ik in het bestuur van IHLIA. In die tijd hield ik mij vooral bezig met het door de overheid bekostigde "Rechtsherstel Homoseksuelen Tweede Wereldoorlog", met een tentoonstelling over de homovervolging in WOII en met het boek Het begint met nee zeggen. Biografieën rond verzet en homoseksualiteit 1940-1945 onder redactie van Klaus Müller en Judith Schuyf (Amsterdam 2006). In verband met dit rechtsherstel moeten ook genoemd worden de boeken Doodgeslagen, doodgezwegen. Vervolging van homoseksuelen door het nazi-regime 1933-1945 onder redactie van Klaus Müller (Amsterdam 2005) en Levenslang. Tiemon Hofman, vervolgd homoseksueel en avonturier geschreven door Judith Schuyf (Amsterdam 2003).
Homologie
Van 1978 tot 1992 was ik voorzitter de stichting die het tijdschrift Homologie uitgaf van 1978 tot 1997. In de eerste redactie zaten Bert Boelaars, Martien Sleutjes, Sacha Wijmer en Henk Wilschut die na een jaar werd opgevolgd door Chris Verboog (1952-1992).
Homologie was een onafhankelijk tijdschrift dat meestentijds tweemaandelijks verscheen. Het besteedde aandacht aan homostudies en homoseksualiteit in een tijd dat de meeste media daar niet over schreven of sensatiegericht negatief. Van groot belang was de rubriek Relevant over recente publicaties rond homoseksualiteit, een activiteit die is opgegaan in de hierboven genoemde Homodok en IHLIA. Ook nu nog algemeen bekende schrijvers in Homologie waren Hans Goedkoop, Bas Heijne, Marianne Hoogma, Maaike Meijer en Xandra Schutte.
De grootste oplage was 3000. De eerste jaargang werd door de redactie zelf gedrukt, gevouwen en geniet. De drie jaren daarna kon men voor een vriendenprijs terecht bij drukkerij Bongers in Limburg. Toen het van krant in magazine veranderde, werd het op zakelijke basis gedrukt bij een andere drukkerij. Omdat de oplaag aan de lage kant bleef, was het blad op de lange termijn te duur om te kunnen voortbestaan. Uit de Lezersservice van Homologie is de nu nog bestaande boekhandel Vrolijk in Amsterdam voortgekomen. Van Homologie is helaas geen digitale versie beschikbaar: dat zou er wel moeten komen. In dit kader moeten ook nog de Homojaarboeken 1981, 1983 en 1985 genoemd worden, waarvan ik in de redactie zat.
Stichting Homo RTV Urania
De toenmalige homo/lesbische beweging ergerde zich mateloos aan de meeste media die meestal alleen maar aandacht besteedden aan homoseksualiteit als er iets negatiefs te berichten viel. Daarom werd de stichting Homo RTV Urania opgericht die van 1982 tot 1996 bestaan heeft. Ik was daarvan vice-voorzitter van 1982 tot 1992. Voorzitter was Petra Schedler. RTV Urania wilde nadrukkelijk geen eigen omroep oprichten maar wilde wel bevorderen dat de publieke omroep meer aandacht aan homoseksualiteit zou besteden. Het accent lag daarbij op radio omdat dat medium heel geschikt was om die homo's en lesbo's te bereiken die nog in de kast zaten. In die tijd werd televisie vooral bekeken in gezinsverband en tv-programma's over homoseksualiteit leidden voor homo's en lesbo's die nog in de kast zaten vaak tot pijnlijke situaties. Bovendien was radio in het pre-internet-tijdperk heel geschikt om actuele homo/lesbische activiteiten aan te kondigen.
Aanleiding om RTV Urania op te richten was het feit dat de VPRO stopte met het eerste homo/lesbische radioprogramma Ook zo met Reijer Breed en Diane de Coninck. Hoewel de stichting er formeel niet bij betrokken was, was het toch als lobbygroep succesvol om homo/lesbische zendtijd bij de publieke omroep te steunen. Het radioprogramma Homonos bestond van 1982 tot 1994 en werd opgevolgd door Het Roze Rijk, van 1994 tot 2003 als radioprogramma en van 2003 tot 2006 als website. Redacteuren met wie ik te maken had, waren Job Frieszo, Nelly Frijda, Jan Nauta, Aletta Oosten, Jan Paul Helwig, Diane de Coninck, Bert Boelaars, Ali Karacabay, Peter van de Akker, Peter van der Vorst en Rémi van der Elzen. In 2004 en 2005 had ik een column bij www.rozerijk.nl.
Wie meer wil weten over de geschiedenis van Homoseksualiteit en de media kan terecht bij de gelijknamige bundel onder redactie van Erwin Bakker en Judith Schuyf (Utrecht 1985) en bij Homoseksualiteit in beeld onder redactie van Petra Schedler e.a. (Utrecht 1989) waaraan ik ook bijgedragen heb.
Pikant detail is dat ik de eerste zinnen van mijn memoires in wording meer dan twintig jaar geleden bij Homonos als radio-column heb uitgesproken: "In mijn vroegste herinnering sta ik als driejarige kleuter op de zonnige groenomzoomde Groest (een hoofdstraat in Hilversum) en vraag ik aan mijn moeder: “Waarom kunnen jongens niet met jongens trouwen?” Haar antwoord weet ik niet meer, maar ik heb toen wel geleerd dat je daarover beter kunt zwijgen. Ergens diep van binnen ontstond een geheime plek waar dit soort gevoelens werden opgeslagen in de hoop op betere tijden waarin het onnoembare bespreekbaar zou kunnen worden." Zie: Jan Nauta, Uit de kast. De mooiste columns uit Homonos (Amsterdam 1994).
Stichting Boekhandel Vrolijk
De huidige gay and lesbian book+dvd store vrolijk begon in 1982 met het verzenden van boeken voor het tijdschrift Homologie. De goede verkoop van onder andere mijn boek Homoseksualiteit in Nederland (Amsterdam 1982) leverde voldoende geld op om in 1984 de Stichting Boekhandel Vrolijk op te richten waarvan ik van 1984 tot 2001 voorzitter was. Net zoals in andere wereldsteden waren homo/lesbische boekhandels belangrijke centra omdat in de algemene boekhandels homo/lesbische boeken nauwelijks te vinden waren. Veel homo's en lesbo's durfden in die tijd daar ook geen homo/lesbische boeken te kopen of te bestellen. Er was een enorme achterstand in de verspreiding van homo/lesbische boeken. Bovendien waren homo/lesbische bladen belangrijke bronnen van informatie over wat er gaande was. Dat trok ook veel buitenlandse bezoekers aan. Vrolijk was dan ook een groot succes.
De belangrijkste bedreiging voor Vrolijk was de hetze die in 1996 ontstond rond Marc Dutroux. Boekhandel Vrolijk werd in media als 2 Vandaag, Telegraaf en Panorama ervan beschuldigd een centrum van jongensverkrachters te zijn. Vrolijk verkocht een jaarlijkse homogids waarin alle homo-ontmoetingsplaatsen opgesomd werden. Het was in die tijd in veel homokringen gebruikelijk om elkaar 'boys' te noemen ook al was men inmiddels van middelbare leeftijd. Het woord 'boys' werd door onnozele of kwaadaardige journalisten echter uit die context gerukt waardoor het beeld ontstond dat Vrolijk het homoseksueel misbruik van jongens bevorderde. Zij riepen op dat de boekhandel daarom gesloten zou moeten worden. Een klassiek voorbeeld van het eerder besproken vooroordeel dat homo's jongensverkrachters zouden zijn.
Ik schreef daarover maart 1997 in mijn column in de Gaykrant: "Wat is er eigenlijk gebeurd? Een heteroman vermoordde meisjes en vervolgens werden homoseksuele mannen valselijk beschuldigd van kindermisbruik. Er zijn honderden heteroporno-zaken die met rust gelaten werden, maar de enige op seksuele zelfbeschikking gerichte homo/lesbische boekhandel werd aangevallen op het verkopen van een boek dat vrijwel overal te koop is, de Spartacus-gids," Mijn opvolgster in 2001 als voorzitter van Vrolijk, Karin Spaink, schreef daarover een uitstekend verhaal. De hetze liep stuk op het feit dat iedereen die Vrolijk kende, wist dat het nergens op sloeg. Maar het liet weer eens zien hoe ontvankelijk sommige media voor homovijandige hetzes zijn.
Stichting Leerstoelen Lesbische en Homostudies
Na mijn vertrek in 1992 bij Homostudies Utrecht werd duidelijk hoezeer homostudies afhankelijk was van de personen die zich daarvoor inzetten. Zo was Homostudies Utrecht binnen tien jaar na mijn vertrek verdwenen. Daarom vond ik het belangrijk dat er binnen universiteiten structureel aandacht aan werd besteed. Daartoe werd in 1998 met behulp van directeur Riek Stienstra van de hierna te bespreken Schorerstichting een stichting opgericht om bijzondere leerstoelen lesbische en homostudies in te richten. Dat is gelukt in Amsterdam, Maastricht en Leiden. De stichting probeert daarnaast wetenschappelijk onderzoek en onderwijs te bevorderen binnen en buiten de universiteiten. Vanaf de oprichting ben ik secretaris van de stichting.
Wie ziet hoeveel onzinnig, zogenaamd wetenschappelijk, onderzoek gedaan wordt rond homoseksualiteit die begrijpt hoe nodig homostudies nog altijd is. Voor een nadere onderbouwing verwijs ik naar bericht 72: Misleidend onderzoek ontstaan homoseksualiteit. Meer dan twintig jaar na mijn vertrek bij Homostudies Utrecht word ik nog altijd benaderd door studenten om hen te begeleiden bij hun scripties op dit gebied. Ik blijf beschikbaar zo lang ik dat kan, maar ik heb (gelukkig) ook niet het eeuwige leven...
Schorerstichting
In mijn proefschrift beschrijf ik het belang van de opening in 1968 van, wat toen genoemd werd, een 'consultatiebureau voor homofilie', de Schorer(stichting) (1967-2012). De eerder door mij genoemde Riek Stienstra (1942-2007) was daarvan directeur van 1974 tot 2002. Stichting en directeur hebben een grote rol gespeeld bij de mentaliteitsverandering in de homo/lesbische hulpverlening. Ook moet de hulpverlening ('buddyzorg') voor mensen met HIV/AIDS genoemd worden. Evenals de zorg voor homo's en lesbo's afkomstig uit homovijandige culturen. Ik noem ook nog de uitgeverij Schorer Boeken en de Schorer Monitor die de gezondheid van homomannen in kaart bracht.
Ik ben van 2003 tot 2007 lid geweest van de Raad van Toezicht van dit Nederlands instituut voor homoseksualiteit, gezondheid en welzijn Schorer. In die tijd deed de toenmalige minister van Volksgezondheid Hans Hoogervorst, een mislukte poging om de subsidiekraan dicht te draaien. Gelukkig waren we toen nog in staat om door politieke lobby dit onheil voor homo/lesbische gezondheidszorg te keren. Op 24 juni 2010 mocht ik de Riek Stienstra Lezing houden. Ik zag het persoonlijk als een eerbetoon aan een vrouw die hopelijk niet in de vergetelheid zal verdwijnen zoals zovelen uit de homo/lesbische emancipatiegeschiedenis!
Naschrift: Mijn memoires "Humanisme als zelfbeschikking, levensherinneringen van een homohumanist" zijn november 2016 uitgegeven bij de Papieren Tijger Breda.
zaterdag 22 augustus 2015
107. Homostudies Utrecht
In de rampenzomer van 1967 was ik mij hardhandig bewust geworden van het onrecht van de homovervolging. Dankzij de redacteur van Vrij Nederland Jan Rogier kwam ik op het spoor van de eeuwenlang doodgezwegen homogeschiedenis. Mijn boek Homoseksualiteit in Nederland. Studie van een emancipatiebeweging (Amsterdam 1982) was het gevolg van mijn zoektocht. Dat proefschrift kreeg in het voorjaar van 1982 zoveel aandacht dat nogal wat onderzoeksvragen gesteld werden. Dat droeg bij tot de oprichting van de universitaire Interfacultaire Werkgroep Homostudies Utrecht, waarvan ik van 1982 tot 1992 voorzitter was.
Een belangrijke reden om met homostudies te beginnen, was het feit dat wetenschappers een eeuw lang vooroordeelbevestigend onderzoek hadden gedaan naar homoseksualiteit. Het meeste onderzoek beperkte zich tot homoseksuelen die in aanraking waren gekomen met justitie of psychiatrie en dat was dus volstrekt niet representatief. Homostudies werd in het begin verweten niet wetenschappelijk te zijn omdat de onderzoekers "subjectief betrokken" zouden zijn. Waarop ik voorstelde om onderzoek onder hetero's voortaan door homo/lesbische onderzoekers te laten doen. Dat deed die kritiek snel verstommen. Ook leefde het vooroordeel dat homostudies-onderzoekers zelf homo of lesbisch moesten zijn. Vanzelfsprekend stond de deskundigheid voorop, niet de eigen seksuele voorkeur.
Homostudies Utrecht
Het toeval wilde dat de Roze Zaterdag van 26 juni 1982 in Amersfoort te maken kreeg met homovijandige rellen. Dat maakte duidelijk dat de overheid beleid moest gaan ontwikkelen om de positie van de homo/lesbische minderheid te verbeteren. Najaar 1982 kon ik mijn proefschrift aanbieden aan de net aangetreden CDA-minister van Welzijn Elco Brinkman die verantwoordelijk werd voor het op te stellen landelijk homobeleid. Daaruit vloeiden veel onderzoeksopdrachten voort die leidden tot rapporten die verschenen in de publicatiereeks die hieronder vermeld wordt.
Een tweede samenloop van omstandigheden was de AIDS-crisis die vanaf 1981 zichtbaar werd. Over mijn persoonlijke rol bij de AIDS-bestrijding schrijf ik later een blogbericht. Wat Homostudies Utrecht betreft, leidde ook dit tot veel onderzoek. En ook tot een poging om homoseksualiteit te schrappen als ziekte door de Wereldgezondheidsorganisatie WHO. Van 1983 tot 1993 was ik adviseur van de WHO inzake AIDS-preventie onder mannen die seks hebben met mannen. Dat leidde onder andere tot het boek Bisexuality and HIV/AIDS: A Global Perspective (Buffalo NY 1991) waarvan ik redacteur was.
HIV/AIDS-preventie onder mannen die seks hebben met mannen werd ernstig gehinderd door het feit dat homoseksualiteit op de ziektelijst van de WHO stond. Bovendien was het wetenschappelijk gezien onzin want homoseksualiteit is net zo min een ziekte zoals bij voorbeeld linkshandigheid, roodharigheid, muzikaliteit of intelligentie. Het is een gewoon een biologische variant. Niet homoseksualiteit is een probleem maar de maatschappelijke veroordeling ervan. Het onderzoekswerk van Homostudies Utrecht bracht dat in kaart, met de mogelijkheden om daar verandering in aan te brengen.
Met onder andere de bedoeling om de WHO te beïnvloeden werd van 10 tot 12 december 1987 in Krasnapolsky in Amsterdam het grote internationale wetenschappelijke congres "Homosexuality Beyond Disease" georganiseerd in samenwerking met COC en ILGA. Daar namen sleutelfiguren uit wetenschap en politiek aan deel. Mede dankzij de steun van staatssecretaris Dick Dees (1944-) en directeur-generaal Joop van Londen (1931-2015), beiden van Volksgezondheid, verliep de lobby richting de WHO voorspoedig. Op 19 mei 1990 werd homoseksualiteit geschrapt van de ziektelijst. Sindsdien wordt wereldwijd op 17 mei de International Day Against Homophobia, Transphobia & Biphobia IDAHOT gevierd.
Afscheid
In tien jaar tijd was veel opgebouwd. Begin 1992 werkten er 25 (deeltijds)medewerkers. De meesten werden betaald uit de zogenaamde 'derde geldstroom': onderzoekssubsidies van buiten de universiteit. Dat riep kennelijk bij sommigen jaloezie op en ik had rond 1990 een roddelcampagne achter de rug waardoor mijn motivatie om door te gaan met Homostudies Utrecht was teruggelopen.
Daar kwamen nog twee andere overwegingen bij. Omdat verreweg het meeste onderzoek in Nederland had plaats gevonden, waren er bijna geen nieuwe onderzoekopdrachten in eigen land te verwachten. Ik stelde voor om Europees te gaan maar daar voelde de staf weinig voor. In de tweede plaats was er een mogelijkheid om een nieuwe lerarenopleiding humanistisch vormingsonderwijs (HVO) op te zetten. Dat was voor mij een belangrijk sluitstuk van de humanistische emancipatie. Dus besloot ik begin 1992 af te treden. Er werd een mooi afscheidssymposium georganiseerd met een afscheidsbundel: nummer 20 in de onderstaande publicatiereeks. Daarin staat: "Zonder de inspanningen van Rob was er geen Homostudies geweest, zoals we dat nu op de Universiteit van Utrecht kennen. In de ruim tien jaar dat hij voorzitter van de Werkgroep was, heeft hij veel betekend voor nogal wat mensen die in Homostudies carrière hebben gemaakt."
PUBLICATIEREEKS HOMOSTUDIES UTRECHT
Brochurereeks tgv 350-jarig bestaan van de Rijksuniversiteit Utrecht:
1. Jan Bour, Ria Gresnigt, Rob Tielman. Homoseksualiteit en onderwijs. 1986
2. Joop Keegel, Rob Tielman. Homoseksueel ouderschap. 1986
3. Jaap Gerlof, Rob Tielman. Hebben homo's ouders? 1986
In eigen beheer verschenen:
1. Marianne Hoogma, Wet en Werkelijkheid. Literatuuronderzoek naar de voorwaarden waaronder een Wet Gelijke Behandeling optimaal kan functioneren. 1984
2. Cees Waaldijk, Rob Tielman. Grondrechtenafweging en de Wet Gelijke Behandeling. Een model en een toepassing. 1984
3. Marion Dobbeling, Pieter Koenders. Het topje van de ijsberg. Inventarisatie van tien jaar discriminatie op grond van homoseksualiteit en leefvorm. 1984
4. Edwin Bakker, Judith Schuyf (red.). Homoseksualiteit en de media. Verslag van een studiedag georganiseerd door Homo RTV Urania en Homostudies Utrecht. 1985
5. Ans van Ginhoven, Marianne Hoogma. Gelijk krijgen is de kunst. Een onderzoek naar het functioneren van commissies gelijke behandeling in verschillende landen. 1985
6. Jan Aandewiel, Theo van Soerland, Peter van Weert. Politie en homoseksualiteit. 1985
7. Karlein Schreurs. Het is maar hoe je bekijkt. Een onderzoek naar identiteit en subcultuur bij lesbische vrouwen uit Groep 7152. 1986
8. Klaas Soesbeek. Homomannen buiten het Homowereldje. 1986
9. Bert van Steenderen. Homo worden, Homo zijn. Een onderzoek naar de vormgeving van een homoseksuele identiteit bij jongens. 1987
10. Hans Warmerdam, Pieter Koenders. Cultuur en ontspanning. Het COC 1946-1966. 1988
11. Thijs Maasen. De pedagogische eros in het geding. Gustav Wyneken en de pedagogische vriendschap in de Freie Schulgemeinde Wickersdorf tussen 1906-1931. 1988
12. Rob Tielman, Evert van der Veen (red.). Second ILGA Pink Book. A Global View of Lesbian and Gay Liberation and Oppression. 1988
13. Theo Sandfort. Het belang van de ervaring. Over seksuele contacten in de vroege jeugdjaren en seksueel gedrag en beleven op latere leeftijd. 1988
14. Jeanette Geerlings, Marion van der Meer. Lesbisch moederschap, praktijk en theorie. 1989
15. Astrid Mattijssen, Martin Moerings (red.). Wet gelijke behandeling in perspektief. 1989
16. Agnes van Wijnen, Annemieke van Brandenburg, Rob Tielman. Homo's met een handicap bestaan niet. 1990
17. Michal Dallas. Onveilige seks bij homomannen. 1990
18. Karlein Schreurs. Vrouwen in lesbische relaties. Verbondenheid, autonomie en seksualiteit. 1990
19. Wouter Geurtsen, Annet Hofmeijer, Ton Zondervan. Homo of hetero, gezegend ben je! Remonstranten over huwelijk en andere relatievormen. 1991
20. Adrianne Dercksen, Marty van Kerkhof, Astrid Mattijssen, Theo Sandfort, Evert van der Veen (red.). Tolerantie onder NAP. 20 essays over homoseksualiteit voor Rob Tielman. 1992
21. Diana van Oort. (On)zichtbaar (seksueel) geweld tegen lesbische vrouwen en meisjes. 1993
22. Niels Teunis, John de Wit, Theo Sandfort. Voor een half uurtje lol ga ik geen risico lopen. Homoseksuele mannen en veilig vrijen. 1993
23. C.J. Hoekzema, Miriam van Hooren, Theo Sandfort. Vrijen met je sokken aan. Homoseksuele mannen en condoomgebruik. 1993
24. Klaas Soesbeek, Letty Bonfrere. Zouden ze bestaan?! Homoseksualiteit en ouder worden. 1993
25. Eline Stroes, Henny Bos, Theo Sandfort. Lesbische vrouwen en AIDS. Van solidariteit tot persoonlijke bezorgdheid. 1994
26. Carla Jonker, Theo Sandfort, Desirée Schyns. Lesbisch zijn in Nederland. Over vormgeving en bejegening in publieke situaties. 1994
27. Peter Dankmeijer. Vies niet, homo wel! Ervaringen van homo- en lesbische docenten. 1994
28. Ontbreekt in mijn archief: vermoedelijk niet verschenen.
29. Evert van der Veen, Adrianne Dercksen. Het steekt van tijd tot tijd de kop op. Homodiscriminatie in de jaren tachtig. 1994
30. Theo Sandfort, Ernest de Vroome. Homoseksuele mannen en 'gewone' SOA. 1996
31. Judith Schuyf. Oud Roze. De positie van lesbische en homoseksuele ouderen in Nederland. 1996
32. Vera Adriaanse e.a. Homo/lesbo worden. Aanbod van De Kringen en achtergronden van deelnemers. Zonder jaartal: 1996 ?
Boeken Homostudies Utrecht uitgegeven bij Uitgeverij Veen, Utrecht/Antwerpen:
1. Petra Schedler, Judith Schuyf, Klaas Soesbeek (red.). Homoseksualiteit in beeld. Radio, televisie, schrijvende pers, reclame. 1989
2. Lex van Naerssen. Labyrint zonder muren. Analyse van het seksueel verlangen. 1989
3. Marty van Kerkhof, Theo Sandfort, Rob Geensen. Als je het nou van hard werken kreeg! Tien jaar aids en homocultuur. 1991
Naschrift:
Mijn memoires "Humanisme als zelfbeschikking, levensherinneringen van een homohumanist" zijn november 2016 uitgegeven bij de Papieren Tijger Breda.
Naschrift: in mijn blog plaats ik onder andere conceptteksten voor mijn memoires die eind 2016 als boek zullen verschijnen. Mijn eigen blogteksten zal ik niet steeds als citaat aanhalen. Dat doe ik wel met het aanhalen van eigen teksten die elders zijn verschenen, met bronvermelding.
Een belangrijke reden om met homostudies te beginnen, was het feit dat wetenschappers een eeuw lang vooroordeelbevestigend onderzoek hadden gedaan naar homoseksualiteit. Het meeste onderzoek beperkte zich tot homoseksuelen die in aanraking waren gekomen met justitie of psychiatrie en dat was dus volstrekt niet representatief. Homostudies werd in het begin verweten niet wetenschappelijk te zijn omdat de onderzoekers "subjectief betrokken" zouden zijn. Waarop ik voorstelde om onderzoek onder hetero's voortaan door homo/lesbische onderzoekers te laten doen. Dat deed die kritiek snel verstommen. Ook leefde het vooroordeel dat homostudies-onderzoekers zelf homo of lesbisch moesten zijn. Vanzelfsprekend stond de deskundigheid voorop, niet de eigen seksuele voorkeur.
Homostudies Utrecht
Het toeval wilde dat de Roze Zaterdag van 26 juni 1982 in Amersfoort te maken kreeg met homovijandige rellen. Dat maakte duidelijk dat de overheid beleid moest gaan ontwikkelen om de positie van de homo/lesbische minderheid te verbeteren. Najaar 1982 kon ik mijn proefschrift aanbieden aan de net aangetreden CDA-minister van Welzijn Elco Brinkman die verantwoordelijk werd voor het op te stellen landelijk homobeleid. Daaruit vloeiden veel onderzoeksopdrachten voort die leidden tot rapporten die verschenen in de publicatiereeks die hieronder vermeld wordt.
Een tweede samenloop van omstandigheden was de AIDS-crisis die vanaf 1981 zichtbaar werd. Over mijn persoonlijke rol bij de AIDS-bestrijding schrijf ik later een blogbericht. Wat Homostudies Utrecht betreft, leidde ook dit tot veel onderzoek. En ook tot een poging om homoseksualiteit te schrappen als ziekte door de Wereldgezondheidsorganisatie WHO. Van 1983 tot 1993 was ik adviseur van de WHO inzake AIDS-preventie onder mannen die seks hebben met mannen. Dat leidde onder andere tot het boek Bisexuality and HIV/AIDS: A Global Perspective (Buffalo NY 1991) waarvan ik redacteur was.
HIV/AIDS-preventie onder mannen die seks hebben met mannen werd ernstig gehinderd door het feit dat homoseksualiteit op de ziektelijst van de WHO stond. Bovendien was het wetenschappelijk gezien onzin want homoseksualiteit is net zo min een ziekte zoals bij voorbeeld linkshandigheid, roodharigheid, muzikaliteit of intelligentie. Het is een gewoon een biologische variant. Niet homoseksualiteit is een probleem maar de maatschappelijke veroordeling ervan. Het onderzoekswerk van Homostudies Utrecht bracht dat in kaart, met de mogelijkheden om daar verandering in aan te brengen.
Met onder andere de bedoeling om de WHO te beïnvloeden werd van 10 tot 12 december 1987 in Krasnapolsky in Amsterdam het grote internationale wetenschappelijke congres "Homosexuality Beyond Disease" georganiseerd in samenwerking met COC en ILGA. Daar namen sleutelfiguren uit wetenschap en politiek aan deel. Mede dankzij de steun van staatssecretaris Dick Dees (1944-) en directeur-generaal Joop van Londen (1931-2015), beiden van Volksgezondheid, verliep de lobby richting de WHO voorspoedig. Op 19 mei 1990 werd homoseksualiteit geschrapt van de ziektelijst. Sindsdien wordt wereldwijd op 17 mei de International Day Against Homophobia, Transphobia & Biphobia IDAHOT gevierd.
Afscheid
In tien jaar tijd was veel opgebouwd. Begin 1992 werkten er 25 (deeltijds)medewerkers. De meesten werden betaald uit de zogenaamde 'derde geldstroom': onderzoekssubsidies van buiten de universiteit. Dat riep kennelijk bij sommigen jaloezie op en ik had rond 1990 een roddelcampagne achter de rug waardoor mijn motivatie om door te gaan met Homostudies Utrecht was teruggelopen.
Daar kwamen nog twee andere overwegingen bij. Omdat verreweg het meeste onderzoek in Nederland had plaats gevonden, waren er bijna geen nieuwe onderzoekopdrachten in eigen land te verwachten. Ik stelde voor om Europees te gaan maar daar voelde de staf weinig voor. In de tweede plaats was er een mogelijkheid om een nieuwe lerarenopleiding humanistisch vormingsonderwijs (HVO) op te zetten. Dat was voor mij een belangrijk sluitstuk van de humanistische emancipatie. Dus besloot ik begin 1992 af te treden. Er werd een mooi afscheidssymposium georganiseerd met een afscheidsbundel: nummer 20 in de onderstaande publicatiereeks. Daarin staat: "Zonder de inspanningen van Rob was er geen Homostudies geweest, zoals we dat nu op de Universiteit van Utrecht kennen. In de ruim tien jaar dat hij voorzitter van de Werkgroep was, heeft hij veel betekend voor nogal wat mensen die in Homostudies carrière hebben gemaakt."
PUBLICATIEREEKS HOMOSTUDIES UTRECHT
Brochurereeks tgv 350-jarig bestaan van de Rijksuniversiteit Utrecht:
1. Jan Bour, Ria Gresnigt, Rob Tielman. Homoseksualiteit en onderwijs. 1986
2. Joop Keegel, Rob Tielman. Homoseksueel ouderschap. 1986
3. Jaap Gerlof, Rob Tielman. Hebben homo's ouders? 1986
In eigen beheer verschenen:
1. Marianne Hoogma, Wet en Werkelijkheid. Literatuuronderzoek naar de voorwaarden waaronder een Wet Gelijke Behandeling optimaal kan functioneren. 1984
2. Cees Waaldijk, Rob Tielman. Grondrechtenafweging en de Wet Gelijke Behandeling. Een model en een toepassing. 1984
3. Marion Dobbeling, Pieter Koenders. Het topje van de ijsberg. Inventarisatie van tien jaar discriminatie op grond van homoseksualiteit en leefvorm. 1984
4. Edwin Bakker, Judith Schuyf (red.). Homoseksualiteit en de media. Verslag van een studiedag georganiseerd door Homo RTV Urania en Homostudies Utrecht. 1985
5. Ans van Ginhoven, Marianne Hoogma. Gelijk krijgen is de kunst. Een onderzoek naar het functioneren van commissies gelijke behandeling in verschillende landen. 1985
6. Jan Aandewiel, Theo van Soerland, Peter van Weert. Politie en homoseksualiteit. 1985
7. Karlein Schreurs. Het is maar hoe je bekijkt. Een onderzoek naar identiteit en subcultuur bij lesbische vrouwen uit Groep 7152. 1986
8. Klaas Soesbeek. Homomannen buiten het Homowereldje. 1986
9. Bert van Steenderen. Homo worden, Homo zijn. Een onderzoek naar de vormgeving van een homoseksuele identiteit bij jongens. 1987
10. Hans Warmerdam, Pieter Koenders. Cultuur en ontspanning. Het COC 1946-1966. 1988
11. Thijs Maasen. De pedagogische eros in het geding. Gustav Wyneken en de pedagogische vriendschap in de Freie Schulgemeinde Wickersdorf tussen 1906-1931. 1988
12. Rob Tielman, Evert van der Veen (red.). Second ILGA Pink Book. A Global View of Lesbian and Gay Liberation and Oppression. 1988
13. Theo Sandfort. Het belang van de ervaring. Over seksuele contacten in de vroege jeugdjaren en seksueel gedrag en beleven op latere leeftijd. 1988
14. Jeanette Geerlings, Marion van der Meer. Lesbisch moederschap, praktijk en theorie. 1989
15. Astrid Mattijssen, Martin Moerings (red.). Wet gelijke behandeling in perspektief. 1989
16. Agnes van Wijnen, Annemieke van Brandenburg, Rob Tielman. Homo's met een handicap bestaan niet. 1990
17. Michal Dallas. Onveilige seks bij homomannen. 1990
18. Karlein Schreurs. Vrouwen in lesbische relaties. Verbondenheid, autonomie en seksualiteit. 1990
19. Wouter Geurtsen, Annet Hofmeijer, Ton Zondervan. Homo of hetero, gezegend ben je! Remonstranten over huwelijk en andere relatievormen. 1991
20. Adrianne Dercksen, Marty van Kerkhof, Astrid Mattijssen, Theo Sandfort, Evert van der Veen (red.). Tolerantie onder NAP. 20 essays over homoseksualiteit voor Rob Tielman. 1992
21. Diana van Oort. (On)zichtbaar (seksueel) geweld tegen lesbische vrouwen en meisjes. 1993
22. Niels Teunis, John de Wit, Theo Sandfort. Voor een half uurtje lol ga ik geen risico lopen. Homoseksuele mannen en veilig vrijen. 1993
23. C.J. Hoekzema, Miriam van Hooren, Theo Sandfort. Vrijen met je sokken aan. Homoseksuele mannen en condoomgebruik. 1993
24. Klaas Soesbeek, Letty Bonfrere. Zouden ze bestaan?! Homoseksualiteit en ouder worden. 1993
25. Eline Stroes, Henny Bos, Theo Sandfort. Lesbische vrouwen en AIDS. Van solidariteit tot persoonlijke bezorgdheid. 1994
26. Carla Jonker, Theo Sandfort, Desirée Schyns. Lesbisch zijn in Nederland. Over vormgeving en bejegening in publieke situaties. 1994
27. Peter Dankmeijer. Vies niet, homo wel! Ervaringen van homo- en lesbische docenten. 1994
28. Ontbreekt in mijn archief: vermoedelijk niet verschenen.
29. Evert van der Veen, Adrianne Dercksen. Het steekt van tijd tot tijd de kop op. Homodiscriminatie in de jaren tachtig. 1994
30. Theo Sandfort, Ernest de Vroome. Homoseksuele mannen en 'gewone' SOA. 1996
31. Judith Schuyf. Oud Roze. De positie van lesbische en homoseksuele ouderen in Nederland. 1996
32. Vera Adriaanse e.a. Homo/lesbo worden. Aanbod van De Kringen en achtergronden van deelnemers. Zonder jaartal: 1996 ?
Boeken Homostudies Utrecht uitgegeven bij Uitgeverij Veen, Utrecht/Antwerpen:
1. Petra Schedler, Judith Schuyf, Klaas Soesbeek (red.). Homoseksualiteit in beeld. Radio, televisie, schrijvende pers, reclame. 1989
2. Lex van Naerssen. Labyrint zonder muren. Analyse van het seksueel verlangen. 1989
3. Marty van Kerkhof, Theo Sandfort, Rob Geensen. Als je het nou van hard werken kreeg! Tien jaar aids en homocultuur. 1991
Naschrift:
Mijn memoires "Humanisme als zelfbeschikking, levensherinneringen van een homohumanist" zijn november 2016 uitgegeven bij de Papieren Tijger Breda.
Naschrift: in mijn blog plaats ik onder andere conceptteksten voor mijn memoires die eind 2016 als boek zullen verschijnen. Mijn eigen blogteksten zal ik niet steeds als citaat aanhalen. Dat doe ik wel met het aanhalen van eigen teksten die elders zijn verschenen, met bronvermelding.
zaterdag 15 augustus 2015
106. International Gay & Lesbian Movement
Maar weinig mensen weten van het bestaan van het International Committee for Sexual Equality ICSE (1951-1960). De belangrijkste man in deze organisatie was de Nederlander Henri Methorst (1909-2007). Het ICSE werd grotendeels bekostigd door het COC waar het hoofdkantoor was gevestigd. In België, Denemarken, Duitsland, Engeland, Frankrijk, de Verenigde Staten, Zweden en Zwitserland waren lidorganisaties aangesloten. Er werden internationale congressen gehouden in Amsterdam (1951), Frankfurt (1952), Amsterdam (1953), Parijs (1955) en Brussel (1958). De overgang naar de moderne homo/lesbische beweging vanaf 1969 werd niet meer gehaald door afnemende belangstelling. Het leek wel of de generatiewisseling van de jaren zestig en zeventig gepaard ging met meer aandacht voor de eigen nationale problemen en minder voor de noodzaak om tot een wereldwijde samenwerking te komen.
Aan de dood ontsnapt
Toenmalig COC-voorzitter Benno Premsela had wel veel belangstelling voor het buitenland. Op een koude zondagmorgen reed ik februari 1972 door een doodstil Amsterdam over de Keizersgracht naar het huis van Benno Premsela. Hij had een afspraak met enkele voorlopers van de huidige Italiaanse homobeweging Arcigay. Benno sprak vloeiend Italiaans en ik was uitgenodigd om er (dankzij mijn kennis van Latijn en Frans) in het Nederlands een verslag van te maken. Ik reed netjes vijftig en ongeveer honderd meter voor de kruising met de Vijzelstraat sprong het licht op groen. Op de kruising (bij het huidige Stadsarchief waar zich het archief van Benno Premsela bevindt) werd mijn Volvo Amazon in volle snelheid gepakt door een tram die van rechts kwam. Mijn auto en ik werden over de brug tientallen meters meegesleurd voor we stil stonden. De trambestuurder verklaarde later tegen de politie dat hij "door laat oranje" was gereden.
Ik moet heel lang buiten bewustzijn zijn geweest. Want voor de botsing was de kruising uitgestorven en toen ik weer bij kwam stond het zwart van de mensen. Het eerste dat ik mij herinner was dat men riep "hij leeft nog!". Ik werd aangesproken door een Amsterdammer die mij vroeg of hij de autoradio mocht kopen. Toen wist ik het zeker: ik leef nog en ik ben in Amsterdam. Hoe de rest van het verhaal afloopt, kan men lezen in blogbericht 50. Aan de dood ontsnapt... Daar staat ook beschreven hoe mijn belangstelling voor de humanistische beweging gewekt werd waardoor de internationale homo/lesbische beweging lange tijd uit mijn zicht verdween.
ILGA
Pas in 1978 kwam het tot een herstart van de internationale homo/lesbische beweging in het Engelse Coventry met wat nu heet de International Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex Association ILGA. Op de website ilga.org kan men zien dat er nu meer dan duizend lidorganisaties zijn in 110 landen. Het hoofdkantoor is gevestigd in het Zwitserse Genève, waar de mensenrechtenraad van de Verenigde Naties zich bevindt. En er zijn regionale organisaties zoals ILGA Europe in Brussel.
Toen ik in 1986 co-president werd van de International Humanist and Ethical Union ging ik mij voor de ILGA interesseren om te zien of ik van dienst kon zijn. Ik bezocht de congressen van ILGA in Kopenhagen (1986), Keulen (1987), Oslo (1988), Wenen (1989) en Stockholm (1990). Het verschil met de IHEU-congressen was zeer groot. De ILGA-congressen waren veel emotioneler en chaotischer. Dat was ook begrijpelijk omdat de meeste congresdeelnemers te maken hadden met grote persoonlijke problemen. Deels door de homovervolging in veel landen en daar kwam de AIDS-crisis nog overheen. ILGA wilde net als de IHEU waarnemer worden bij de Verenigde Naties. Dat was niet eenvoudig door de grote weerstanden tegen homoseksualiteit in de meeste lidstaten van de VN. Tegenstanders gooiden vaak homo- en pedoseksualiteit op één grote hoop. Enkele organisaties van pedoseksuelen waren lid van de ILGA. Vooral die uit Duitsland en de Verenigde Staten roerden zich zeer op ILGA-congressen, hetgeen tot heftige conflicten leidde.
Ik had daar om drie redenen moeite mee. Als humanist was en ben ik van mening dat het zelfbeschikkingsrecht van kinderen beschermd moet worden tegenover volwassenen die zich aan kinderen opdringen. Daarom heb ik ook meegewerkt aan het tot stand komen van de Stockholm-verklaring van 1990 waarin het volgende gesteld werd: "Every child has the right to protection from sexual exploitation and abuse, including prostitution and involvement in pornography". Mijn tweede bezwaar was dat pedoseksualiteit getalsmatig veel meer bij heteroseksuelen voorkomt en dus niet de indruk moet worden gewekt dat het alleen een homo-aangelegenheid is. En mijn derde bezwaar was dat ILGA het strategisch belangrijke waarnemerschap bij internationale organisaties wel kon vergeten als pedo-organisaties er lid van konden blijven. Aan die lidmaatschappen is een einde gekomen. Mede dankzij ILGA is inmiddels een mentaliteitsverandering bij een meerderheid in de VN tot stand gebracht ten gunste van een erkenning dat homorechten ook mensenrechten zijn.
Pink Book
Als een belangrijke bijdrage aan de internationale homo/lesbische beweging zie ik het tot stand komen van het tweede en derde Pink Book. In 1988 verscheen het Second ILGA Pink Book, uitgegeven door Homostudies Utrecht. En in 1993 werd The Third Pink Book: A Global View of Lesbian and Gay Liberation and Oppression uitgegeven door uitgeverij Prometheus Books, toen nog gevestigd in Buffalo (New York). Voor het eerst werd in boekvorm voor elk land in kaart gebracht hoe de maatschappelijke en juridische positie van de homo/lesbische minderheid was. Daarbij kon ik gebruik maken van de Nederlandse ambassades wereldwijd en van sommige buitenlandse ambassades in Nederland en België. Opvallend was de brief van 13 april 1987 van de ambassade van Congo in Brussel dat "the practice of homosexuality does not exist in Congo". Inmiddels weten we wel beter.
Sindsdien is er geen homo/lesbisch Pink Book meer uitgegeven. Dat is ook wel begrijpelijk gezien de snelle vooruitgang die wereldwijd bereikt is. Neem alleen al het voorbeeld van de huwelijksgelijkberechtiging. Internet biedt nu een veel actueler beeld dan boeken ooit kunnen bieden. Toch hebben deze boeken een belangrijke rol gespeeld. In de eerste plaats omdat het een historisch ijkpunt heeft vastgesteld. Daardoor kunnen wij nu zwart op wit zien hoe snel vooruitgang is geboekt. In de tweede plaats hebben veel advocaten van deze boeken gebruik gemaakt om homo/lesbische vluchtelingen bij te staan die hun homovijandig land zijn ontvlucht en elders om asiel hebben gevraagd. In een volgend blogbericht zal ik ingaan op de rol die ik heb gespeeld bij het schrappen van homoseksualiteit van de lijst met ziekten door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).
Naschrift:
Mijn memoires "Humanisme als zelfbeschikking, levensherinneringen van een homohumanist" zijn november 2016 uitgegeven bij de Papieren Tijger Breda.
Naschrift: in mijn blog plaats ik onder andere conceptteksten voor mijn memoires die eind 2016 als boek zullen verschijnen. Mijn eigen blogteksten zal ik niet steeds als citaat aanhalen. Dat doe ik wel met het aanhalen van eigen teksten die elders zijn verschenen, met bronvermelding.
Aan de dood ontsnapt
Toenmalig COC-voorzitter Benno Premsela had wel veel belangstelling voor het buitenland. Op een koude zondagmorgen reed ik februari 1972 door een doodstil Amsterdam over de Keizersgracht naar het huis van Benno Premsela. Hij had een afspraak met enkele voorlopers van de huidige Italiaanse homobeweging Arcigay. Benno sprak vloeiend Italiaans en ik was uitgenodigd om er (dankzij mijn kennis van Latijn en Frans) in het Nederlands een verslag van te maken. Ik reed netjes vijftig en ongeveer honderd meter voor de kruising met de Vijzelstraat sprong het licht op groen. Op de kruising (bij het huidige Stadsarchief waar zich het archief van Benno Premsela bevindt) werd mijn Volvo Amazon in volle snelheid gepakt door een tram die van rechts kwam. Mijn auto en ik werden over de brug tientallen meters meegesleurd voor we stil stonden. De trambestuurder verklaarde later tegen de politie dat hij "door laat oranje" was gereden.
Ik moet heel lang buiten bewustzijn zijn geweest. Want voor de botsing was de kruising uitgestorven en toen ik weer bij kwam stond het zwart van de mensen. Het eerste dat ik mij herinner was dat men riep "hij leeft nog!". Ik werd aangesproken door een Amsterdammer die mij vroeg of hij de autoradio mocht kopen. Toen wist ik het zeker: ik leef nog en ik ben in Amsterdam. Hoe de rest van het verhaal afloopt, kan men lezen in blogbericht 50. Aan de dood ontsnapt... Daar staat ook beschreven hoe mijn belangstelling voor de humanistische beweging gewekt werd waardoor de internationale homo/lesbische beweging lange tijd uit mijn zicht verdween.
ILGA
Pas in 1978 kwam het tot een herstart van de internationale homo/lesbische beweging in het Engelse Coventry met wat nu heet de International Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex Association ILGA. Op de website ilga.org kan men zien dat er nu meer dan duizend lidorganisaties zijn in 110 landen. Het hoofdkantoor is gevestigd in het Zwitserse Genève, waar de mensenrechtenraad van de Verenigde Naties zich bevindt. En er zijn regionale organisaties zoals ILGA Europe in Brussel.
Toen ik in 1986 co-president werd van de International Humanist and Ethical Union ging ik mij voor de ILGA interesseren om te zien of ik van dienst kon zijn. Ik bezocht de congressen van ILGA in Kopenhagen (1986), Keulen (1987), Oslo (1988), Wenen (1989) en Stockholm (1990). Het verschil met de IHEU-congressen was zeer groot. De ILGA-congressen waren veel emotioneler en chaotischer. Dat was ook begrijpelijk omdat de meeste congresdeelnemers te maken hadden met grote persoonlijke problemen. Deels door de homovervolging in veel landen en daar kwam de AIDS-crisis nog overheen. ILGA wilde net als de IHEU waarnemer worden bij de Verenigde Naties. Dat was niet eenvoudig door de grote weerstanden tegen homoseksualiteit in de meeste lidstaten van de VN. Tegenstanders gooiden vaak homo- en pedoseksualiteit op één grote hoop. Enkele organisaties van pedoseksuelen waren lid van de ILGA. Vooral die uit Duitsland en de Verenigde Staten roerden zich zeer op ILGA-congressen, hetgeen tot heftige conflicten leidde.
Ik had daar om drie redenen moeite mee. Als humanist was en ben ik van mening dat het zelfbeschikkingsrecht van kinderen beschermd moet worden tegenover volwassenen die zich aan kinderen opdringen. Daarom heb ik ook meegewerkt aan het tot stand komen van de Stockholm-verklaring van 1990 waarin het volgende gesteld werd: "Every child has the right to protection from sexual exploitation and abuse, including prostitution and involvement in pornography". Mijn tweede bezwaar was dat pedoseksualiteit getalsmatig veel meer bij heteroseksuelen voorkomt en dus niet de indruk moet worden gewekt dat het alleen een homo-aangelegenheid is. En mijn derde bezwaar was dat ILGA het strategisch belangrijke waarnemerschap bij internationale organisaties wel kon vergeten als pedo-organisaties er lid van konden blijven. Aan die lidmaatschappen is een einde gekomen. Mede dankzij ILGA is inmiddels een mentaliteitsverandering bij een meerderheid in de VN tot stand gebracht ten gunste van een erkenning dat homorechten ook mensenrechten zijn.
Pink Book
Als een belangrijke bijdrage aan de internationale homo/lesbische beweging zie ik het tot stand komen van het tweede en derde Pink Book. In 1988 verscheen het Second ILGA Pink Book, uitgegeven door Homostudies Utrecht. En in 1993 werd The Third Pink Book: A Global View of Lesbian and Gay Liberation and Oppression uitgegeven door uitgeverij Prometheus Books, toen nog gevestigd in Buffalo (New York). Voor het eerst werd in boekvorm voor elk land in kaart gebracht hoe de maatschappelijke en juridische positie van de homo/lesbische minderheid was. Daarbij kon ik gebruik maken van de Nederlandse ambassades wereldwijd en van sommige buitenlandse ambassades in Nederland en België. Opvallend was de brief van 13 april 1987 van de ambassade van Congo in Brussel dat "the practice of homosexuality does not exist in Congo". Inmiddels weten we wel beter.
Sindsdien is er geen homo/lesbisch Pink Book meer uitgegeven. Dat is ook wel begrijpelijk gezien de snelle vooruitgang die wereldwijd bereikt is. Neem alleen al het voorbeeld van de huwelijksgelijkberechtiging. Internet biedt nu een veel actueler beeld dan boeken ooit kunnen bieden. Toch hebben deze boeken een belangrijke rol gespeeld. In de eerste plaats omdat het een historisch ijkpunt heeft vastgesteld. Daardoor kunnen wij nu zwart op wit zien hoe snel vooruitgang is geboekt. In de tweede plaats hebben veel advocaten van deze boeken gebruik gemaakt om homo/lesbische vluchtelingen bij te staan die hun homovijandig land zijn ontvlucht en elders om asiel hebben gevraagd. In een volgend blogbericht zal ik ingaan op de rol die ik heb gespeeld bij het schrappen van homoseksualiteit van de lijst met ziekten door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).
Naschrift:
Mijn memoires "Humanisme als zelfbeschikking, levensherinneringen van een homohumanist" zijn november 2016 uitgegeven bij de Papieren Tijger Breda.
Naschrift: in mijn blog plaats ik onder andere conceptteksten voor mijn memoires die eind 2016 als boek zullen verschijnen. Mijn eigen blogteksten zal ik niet steeds als citaat aanhalen. Dat doe ik wel met het aanhalen van eigen teksten die elders zijn verschenen, met bronvermelding.
zaterdag 8 augustus 2015
105. Homo/lesbische politiek
Op 28 juni 1969 begonnen in New York de Stonewall-rellen. Voor het eerst in de Verenigde Staten verzetten homo/lesbische Amerikanen zich tegen het homovijandig optreden van de politie die razzia's hield in homo/lesbische bars. Het leidde tot grote demonstraties met vele duizenden deelnemers. Vrij algemeen worden deze demonstraties gezien als het begin van de moderne homo/lesbische beweging. Wereldwijd vinden steeds meer Gay Pride Parades plaats naar het voorbeeld van New York. Toch vond de eerste homo/lesbische demonstratie in Nederland eerder plaats: op 21 januari 1969 op het Binnenhof in Den Haag.
Eerste homo/lesbische demonstratie
In mijn boek Homoseksualiteit in Nederland, studie van een emancipatieweging beschrijf ik de achtergronden. Diezelfde dag bespreekt de Tweede Kamer de mogelijke afschaffing van het discriminerende artikel 248-bis waarover ik hiervoor schreef.
Belangrijke bezwaren van de demonstranten zijn blijkens een persconferentie: artikel 248-bis is "discriminerend", "een bron van mogelijke chantage", een belemmering voor "een geëigende pedagogische en seksueel-vormende opvang", en een aantasting "van de intieme persoonlijke levenssfeer die juist minderjarigen zo nodig hebben om te komen tot zelfkennis, zelfaanvaarding en volwassenwording". Hier staat dus het belang van de homo/lesbische jongeren centraal.
Bij een vergelijking tussen de Amerikaanse en de Nederlandse demonstraties valt een aantal dingen op. De rellen in New York waren rond een bar, chaotisch, soms gewelddadig en met een opvallende rol voor travestieten. De vredige demonstratie in Den Haag was goed georganiseerd, sloot aan op een lange lobby onder politieke partijen, vond plaats op een politiek strategisch moment, was inhoudelijk goed onderbouwd met een nadruk op de schadelijke werking voor homo/lesbische jongeren die de demonstratie hielden. Kortom: een voorbeeld van het poldermodel gekenmerkt door zelforganisatie en het zoeken naar bondgenoten en sleutelfiguren. Het is dus geen wonder dat in 1971 artikel 248-bis werd afgeschaft en dat Nederland wereldwijd voorop liep bij het bereiken van homo/lesbische gelijkberechtiging. Ik ben blij dat ik als toenmalig voorzitter van de Utrechtse Studenten Werkgroep Homoseksualiteit heb kunnen bijdragen aan deze historische gebeurtenis.
Marcel van Dam
Mijn tweede ervaring met homo/lesbische politiek was een aanvaring die ik in 1974 had met Marcel van Dam (1938-) als staatssecretaris van Volkshuisvesting in het kabinet-Den Uyl (1973-1977). Ik zat namens het COC bij een breed overleg met belangengroepen die wilden dat er meer woningen kwamen voor alleenstaanden. Hij begon met zich af te vragen wat ik bij dat overleg deed. Ik legde uit dat juist homo's en lesbo's een groot belang hadden bij woningen voor alleenstaanden omdat zij in die tijd nog vaak gedwongen werden te blijven wonen bij hun vaak homovijandige ouders. Waarop zijn antwoord was dat homo's toch gelijk behandeld wilden worden en dan was het volgens hem daarmee in strijd dat zij zich afzonderden in een eigen organisatie. Ik noemde de vrouwenbeweging die bewees dat zelforganisatie voor achtergestelden een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde voor gelijkberechtiging was en is. Hij was niet overtuigd en bleef vinden dat het COC zich op moest heffen. En dat in 1974 toen er nog vrijwel geen gelijke behandeling bestond!
Artikel 1 van de Grondwet
Als voorzitter van het Humanistisch Verbond was ik betrokken bij de herziening van de Grondwet van 1983. Dat ging voor het HV toen vooral over de gelijke behandeling van godsdienst en levensovertuiging in artikel 1. Daarover schrijf ik elders meer in mijn memoires. Omdat ik toch aan het lobbyen was, nam ik meteen de gelijke behandeling van homoseksuelen mee.
Ik schrijf daarover in de Humanistische Canon: "Tenslotte is het einde van Artikel 1 belangrijk: de werking beperkt zich niet tot de genoemde kenmerken maar geldt voor welke grond dan ook. Deze zinsnede is opgenomen omdat niet-confessionele partijen ook homo- en heteroseksualiteit wilden noemen en christelijke partijen dat weigerden. Het gevaar ontstond dat de weglating van deze vorm van discriminatie uitstraalt dat homodiscriminatie meer geoorloofd zou zijn. Door de gekozen toevoeging is voorkomen dat het discriminatieverbod ongewild bepaalde vormen van discriminatie zou gaan bevorderen. Nu valt bijvoorbeeld ook leeftijdsdiscriminatie en discriminatie van mensen met een beperking onder de werking van Artikel 1. Ondanks de toevoeging 'op welke grond dan ook', pleit het Humanistisch Verbond actief voor het benoemen van homoseksualiteit." Terecht streeft het COC daar ook naar.
Wet Gelijke Behandeling
Ook bij het tot stand komen van de Algemene wet gelijke behandeling van 1994 was ik betrokken, eerst als algemeen secretaris van het COC van 1971 tot 1975 en later als algemeen voorzitter van het HV van 1977 tot 1987. Een klein deel van de vrouwenbeweging vond de koppeling van vrouwen- aan homo/lesbische discriminatie nadelig omdat daardoor de invoering van de wet vertraagd werd. Ik herinner mij nog een discussie waarin ik door sommige vrouwen verweten werd "over de ruggen van vrouwen homorechten binnen te halen". De invloed van lesbische en solidaire heterovrouwen in de vrouwenbeweging was gelukkig groot genoeg om te voorkomen dat vrouwen- en homobeweging tegen elkaar werden uitgespeeld. Vooral bij kerken en christelijke partijen wilde men homo's en lesbo's kunnen blijven discrimineren op godsdienstige gronden.
Juridisch gezien is veel homo/lesbische discriminatie een vorm van discriminatie op grond van geslacht. Men staat aan een vrouw wel toe om een relatie met een man te hebben of te willen, maar met een vrouw niet. Ook sociaalhistorisch gezien, hangen vrouwen- en homo/lesbische emancipatie nauw samen. Dat geldt ook voor het godsdienstig verzet tegen gelijke behandeling. Daarom hebben het grootste deel van de vrouwenbeweging, de hele homo/lesbische beweging en de humanistische beweging decennialang nauw samengewerkt om tot een algemene wet gelijke behandeling te komen. Ik ben blij daaraan mijn steentje te hebben kunnen bijdragen vanuit zowel de homo- als de humanistische beweging.
Openstelling huwelijk
Dezelfde overwegingen speelden een rol bij het streven naar de openstelling van het huwelijk. Hier is de zelfde redenering van toepassing. Als je alleen een partner van het andere geslacht mag trouwen en niet van hetzelfde geslacht, dan is dat een vorm van discriminatie op grond van geslacht. Het feit dat het COC helaas lange tijd tegen de openstelling van het huwelijk was, heeft mij er niet van weerhouden om juist vanuit mijn rol in de humanistische beweging er vóór te zijn.
Allereerst was het noodzakelijk om een Nederlandse regering tot stand te brengen zonder de toen homovijandige christelijke partijen. Als voorzitter van het Humanistisch Verbond heb ik mij daar langdurig voor ingezet. De vijandschap tussen de twee grootste seculiere partijen, de PvdA en de VVD, was jarenlang te groot. In 1994 kwam eindelijk het eerste seculiere kabinet Paars I van PvdA, VVD en D66 tot stand. Ook toen moesten nog de nodige juridische en politieke hobbels opgeruimd worden.
Tijdens de kabinetsformatie van Paars II begin zomer 1998 was het eindelijk zover. Met dank aan D66 onderhandelaar Boris Dittrich werd er overeenstemming bereikt over de openstelling van het huwelijk voor paren van gelijk geslacht. Dit lekte uit op een vroege zomeravond en het NOS Journaal wilde daar om tien uur aandacht aan besteden. Zij belden na negenen op naar Henk Krol in Eindhoven om zo snel als mogelijk naar Hilversum te komen maar daar was de tijd te kort voor. Hij stelde de NOS voor om mij te benaderen in de terechte veronderstelling dat ik dichter bij Hilversum zou zijn.
Het is bijna niet meer voor te stellen maar dit speelde zich af in de tijd dat nog niet iedereen over een mobieltje beschikte. Mijn vriend Herman was gelukkig thuis in Vianen en hij wist dat ik met het bestuur van het humanistisch vormingsonderwijs vergaderde in een hotel in Utrecht. De receptionist van het hotel had mij daar binnen zien komen en toen de NOS belde kon hij mij meteen naar de telefoon halen. Ik stapte onmiddellijk in mijn auto en was net op tijd in de studio in Hilversum.
Er was geen tijd voor vooroverleg en ik werd overvallen door de kritische vraag waarom het homo/lesbisch ouderschap nog niet geregeld was. In minder dan een seconde overwoog ik dat het een strategische blunder zou zijn om deze stap vooruit nu te ondergraven door kritiek te geven op het bereikte resultaat. Uit onderzoek was al gebleken dat Nederland in meerderheid voor gelijkberechtiging van volwassen paren was maar verdeeld was over homo/lesbisch ouderschap. Daarom zei ik dat ouderschapswetgeving iets anders was dan huwelijkswetgeving en dat ik heel blij was dat dit mensenrecht om te kunnen trouwen nu werkelijkheid zou worden.
Landelijke Werkgroep Politiek
Vanaf het begin ben ik lid geweest van de Landelijke Werkgroep Politiek van het COC. Anders dan Marcel van Dam dacht in 1974 is er nog altijd veel te doen om in Nederland gelijke behandeling tot stand te brengen. En dat geldt nog veel meer voor de wereldwijde bestrijding van homovervolging. Daarover meer in mijn volgende blogbericht over mijn rol in de internationale homo/lesbische beweging.
Naschrift: Mijn memoires "Humanisme als zelfbeschikking, levensherinneringen van een homohumanist" zijn november 2016 uitgegeven bij de Papieren Tijger Breda.
Naschrift: in mijn blog plaats ik onder andere conceptteksten voor mijn memoires die eind 2016 als boek zullen verschijnen. Mijn eigen blogteksten zal ik niet steeds als citaat aanhalen. Dat doe ik wel met het aanhalen van mijn eigen teksten die elders zijn verschenen, met bronvermelding.
Eerste homo/lesbische demonstratie
In mijn boek Homoseksualiteit in Nederland, studie van een emancipatieweging beschrijf ik de achtergronden. Diezelfde dag bespreekt de Tweede Kamer de mogelijke afschaffing van het discriminerende artikel 248-bis waarover ik hiervoor schreef.
Belangrijke bezwaren van de demonstranten zijn blijkens een persconferentie: artikel 248-bis is "discriminerend", "een bron van mogelijke chantage", een belemmering voor "een geëigende pedagogische en seksueel-vormende opvang", en een aantasting "van de intieme persoonlijke levenssfeer die juist minderjarigen zo nodig hebben om te komen tot zelfkennis, zelfaanvaarding en volwassenwording". Hier staat dus het belang van de homo/lesbische jongeren centraal.
Bij een vergelijking tussen de Amerikaanse en de Nederlandse demonstraties valt een aantal dingen op. De rellen in New York waren rond een bar, chaotisch, soms gewelddadig en met een opvallende rol voor travestieten. De vredige demonstratie in Den Haag was goed georganiseerd, sloot aan op een lange lobby onder politieke partijen, vond plaats op een politiek strategisch moment, was inhoudelijk goed onderbouwd met een nadruk op de schadelijke werking voor homo/lesbische jongeren die de demonstratie hielden. Kortom: een voorbeeld van het poldermodel gekenmerkt door zelforganisatie en het zoeken naar bondgenoten en sleutelfiguren. Het is dus geen wonder dat in 1971 artikel 248-bis werd afgeschaft en dat Nederland wereldwijd voorop liep bij het bereiken van homo/lesbische gelijkberechtiging. Ik ben blij dat ik als toenmalig voorzitter van de Utrechtse Studenten Werkgroep Homoseksualiteit heb kunnen bijdragen aan deze historische gebeurtenis.
Marcel van Dam
Mijn tweede ervaring met homo/lesbische politiek was een aanvaring die ik in 1974 had met Marcel van Dam (1938-) als staatssecretaris van Volkshuisvesting in het kabinet-Den Uyl (1973-1977). Ik zat namens het COC bij een breed overleg met belangengroepen die wilden dat er meer woningen kwamen voor alleenstaanden. Hij begon met zich af te vragen wat ik bij dat overleg deed. Ik legde uit dat juist homo's en lesbo's een groot belang hadden bij woningen voor alleenstaanden omdat zij in die tijd nog vaak gedwongen werden te blijven wonen bij hun vaak homovijandige ouders. Waarop zijn antwoord was dat homo's toch gelijk behandeld wilden worden en dan was het volgens hem daarmee in strijd dat zij zich afzonderden in een eigen organisatie. Ik noemde de vrouwenbeweging die bewees dat zelforganisatie voor achtergestelden een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde voor gelijkberechtiging was en is. Hij was niet overtuigd en bleef vinden dat het COC zich op moest heffen. En dat in 1974 toen er nog vrijwel geen gelijke behandeling bestond!
Artikel 1 van de Grondwet
Als voorzitter van het Humanistisch Verbond was ik betrokken bij de herziening van de Grondwet van 1983. Dat ging voor het HV toen vooral over de gelijke behandeling van godsdienst en levensovertuiging in artikel 1. Daarover schrijf ik elders meer in mijn memoires. Omdat ik toch aan het lobbyen was, nam ik meteen de gelijke behandeling van homoseksuelen mee.
Ik schrijf daarover in de Humanistische Canon: "Tenslotte is het einde van Artikel 1 belangrijk: de werking beperkt zich niet tot de genoemde kenmerken maar geldt voor welke grond dan ook. Deze zinsnede is opgenomen omdat niet-confessionele partijen ook homo- en heteroseksualiteit wilden noemen en christelijke partijen dat weigerden. Het gevaar ontstond dat de weglating van deze vorm van discriminatie uitstraalt dat homodiscriminatie meer geoorloofd zou zijn. Door de gekozen toevoeging is voorkomen dat het discriminatieverbod ongewild bepaalde vormen van discriminatie zou gaan bevorderen. Nu valt bijvoorbeeld ook leeftijdsdiscriminatie en discriminatie van mensen met een beperking onder de werking van Artikel 1. Ondanks de toevoeging 'op welke grond dan ook', pleit het Humanistisch Verbond actief voor het benoemen van homoseksualiteit." Terecht streeft het COC daar ook naar.
Wet Gelijke Behandeling
Ook bij het tot stand komen van de Algemene wet gelijke behandeling van 1994 was ik betrokken, eerst als algemeen secretaris van het COC van 1971 tot 1975 en later als algemeen voorzitter van het HV van 1977 tot 1987. Een klein deel van de vrouwenbeweging vond de koppeling van vrouwen- aan homo/lesbische discriminatie nadelig omdat daardoor de invoering van de wet vertraagd werd. Ik herinner mij nog een discussie waarin ik door sommige vrouwen verweten werd "over de ruggen van vrouwen homorechten binnen te halen". De invloed van lesbische en solidaire heterovrouwen in de vrouwenbeweging was gelukkig groot genoeg om te voorkomen dat vrouwen- en homobeweging tegen elkaar werden uitgespeeld. Vooral bij kerken en christelijke partijen wilde men homo's en lesbo's kunnen blijven discrimineren op godsdienstige gronden.
Juridisch gezien is veel homo/lesbische discriminatie een vorm van discriminatie op grond van geslacht. Men staat aan een vrouw wel toe om een relatie met een man te hebben of te willen, maar met een vrouw niet. Ook sociaalhistorisch gezien, hangen vrouwen- en homo/lesbische emancipatie nauw samen. Dat geldt ook voor het godsdienstig verzet tegen gelijke behandeling. Daarom hebben het grootste deel van de vrouwenbeweging, de hele homo/lesbische beweging en de humanistische beweging decennialang nauw samengewerkt om tot een algemene wet gelijke behandeling te komen. Ik ben blij daaraan mijn steentje te hebben kunnen bijdragen vanuit zowel de homo- als de humanistische beweging.
Openstelling huwelijk
Dezelfde overwegingen speelden een rol bij het streven naar de openstelling van het huwelijk. Hier is de zelfde redenering van toepassing. Als je alleen een partner van het andere geslacht mag trouwen en niet van hetzelfde geslacht, dan is dat een vorm van discriminatie op grond van geslacht. Het feit dat het COC helaas lange tijd tegen de openstelling van het huwelijk was, heeft mij er niet van weerhouden om juist vanuit mijn rol in de humanistische beweging er vóór te zijn.
Allereerst was het noodzakelijk om een Nederlandse regering tot stand te brengen zonder de toen homovijandige christelijke partijen. Als voorzitter van het Humanistisch Verbond heb ik mij daar langdurig voor ingezet. De vijandschap tussen de twee grootste seculiere partijen, de PvdA en de VVD, was jarenlang te groot. In 1994 kwam eindelijk het eerste seculiere kabinet Paars I van PvdA, VVD en D66 tot stand. Ook toen moesten nog de nodige juridische en politieke hobbels opgeruimd worden.
Tijdens de kabinetsformatie van Paars II begin zomer 1998 was het eindelijk zover. Met dank aan D66 onderhandelaar Boris Dittrich werd er overeenstemming bereikt over de openstelling van het huwelijk voor paren van gelijk geslacht. Dit lekte uit op een vroege zomeravond en het NOS Journaal wilde daar om tien uur aandacht aan besteden. Zij belden na negenen op naar Henk Krol in Eindhoven om zo snel als mogelijk naar Hilversum te komen maar daar was de tijd te kort voor. Hij stelde de NOS voor om mij te benaderen in de terechte veronderstelling dat ik dichter bij Hilversum zou zijn.
Het is bijna niet meer voor te stellen maar dit speelde zich af in de tijd dat nog niet iedereen over een mobieltje beschikte. Mijn vriend Herman was gelukkig thuis in Vianen en hij wist dat ik met het bestuur van het humanistisch vormingsonderwijs vergaderde in een hotel in Utrecht. De receptionist van het hotel had mij daar binnen zien komen en toen de NOS belde kon hij mij meteen naar de telefoon halen. Ik stapte onmiddellijk in mijn auto en was net op tijd in de studio in Hilversum.
Er was geen tijd voor vooroverleg en ik werd overvallen door de kritische vraag waarom het homo/lesbisch ouderschap nog niet geregeld was. In minder dan een seconde overwoog ik dat het een strategische blunder zou zijn om deze stap vooruit nu te ondergraven door kritiek te geven op het bereikte resultaat. Uit onderzoek was al gebleken dat Nederland in meerderheid voor gelijkberechtiging van volwassen paren was maar verdeeld was over homo/lesbisch ouderschap. Daarom zei ik dat ouderschapswetgeving iets anders was dan huwelijkswetgeving en dat ik heel blij was dat dit mensenrecht om te kunnen trouwen nu werkelijkheid zou worden.
Landelijke Werkgroep Politiek
Vanaf het begin ben ik lid geweest van de Landelijke Werkgroep Politiek van het COC. Anders dan Marcel van Dam dacht in 1974 is er nog altijd veel te doen om in Nederland gelijke behandeling tot stand te brengen. En dat geldt nog veel meer voor de wereldwijde bestrijding van homovervolging. Daarover meer in mijn volgende blogbericht over mijn rol in de internationale homo/lesbische beweging.
Naschrift: Mijn memoires "Humanisme als zelfbeschikking, levensherinneringen van een homohumanist" zijn november 2016 uitgegeven bij de Papieren Tijger Breda.
Naschrift: in mijn blog plaats ik onder andere conceptteksten voor mijn memoires die eind 2016 als boek zullen verschijnen. Mijn eigen blogteksten zal ik niet steeds als citaat aanhalen. Dat doe ik wel met het aanhalen van mijn eigen teksten die elders zijn verschenen, met bronvermelding.
Abonneren op:
Posts (Atom)